Zondag 24-04-2016: Overgrootouders en de Waterwolf (IV)

Mijn overgrootvader Cornelis (1819) woonde halverwege de 19e eeuw in Maarn/Maarsbergen en werkte daar als knecht bij een boer. Hij was vrijgezel en woonde bij zijn ouders thuis. (Wanneer je niet begrijpt over wie en wat het hier gaat lees dan eerst even de delen I, II en III).

In 1850, hij was toen 31 jaar, droomde hij regelmatig over een vertrek uit zijn geboortestreek. Hij had altijd gedacht dat hij op de Utrechtse Heuvelrug iets meer had kunnen bereiken maar het gebied had voor nieuwe boerenbedrijven eigenlijk geen plaats. Bovendien was er concurrentie van veel jongere boeren was de grond niet al te vruchtbaar. En toen was er op eens die advertentie in “Het Nieuwe Leidsche Dagblad” waar hij las dat in de Haarlemmermeerpolder jonge mannen werden gezocht die als zetboer aan de slag wilde.

advertentie (1)
Advertentie in het Leids Dagblad voor een “Fatsoenlijk JONG MENSCH” voor het vak van Landbouwer.

Hij besloot om het avontuur te zoeken en hij solliciteerde. Dat was niet gemakkelijk want hij zou de eerste zijn die het ouderlijk gezin zou verlaten. En twijfelde hij, de Utrechtse Heuvelrug is toch een prachtig gebied. Bovendien nu hij werkelijk wilde solliciteren moest hij zijn ouders eerst over zijn plannen informeren. Ook vroeg hij zich af wat zijn broers en zusters van zijn besluit zouden vinden. Hij vroeg zich serieus af of je zomaar de ‘familiegrond’ kon verlaten. De Lodders hadden tenslotte eeuwen in dit gebeid geleefd en gewerkt en zich echt thuis gevoeld. Hij realiseerde zich plotseling dat hij zich ook veel zorgen maakte over zijn ouders die al aardig op leeftijd waren vader Dirk was 72 en Moeder Teunisje 68 jaar. Hoe dan ook hij zette door en solliciteerde naar de baan in de nieuwe Haarlemmermeerpolder. In de advertentie werden ook een aantal eisen gesteld m.b.t. leeftijd en ervaring. Maar men moest ook vrijgezel zijn en de protestantse godsdienst aanhangen. In principe voldeed hij aan alle criteria en toen hij solliciteerde bleek dat hij dat deed bij mr. Jan Pieter Adolf van Wickevoort Crommellin een van de vele kaveleigenaars van de nieuwe polder.

jpa wickevoort crommelin_bewerkt-1
Mr. van Wickevoort Crommelin

De heer Wickevoort had in 1853 verschillende kavels gekocht die op behoorlijke afstanden lagen van elkaar. Na het droogvallen van het meer werd de polder verdeeld in vier secties te weten Vijfhuizen, Rijk, Beinsdorp en Burgerveen allen genoemd naar vroegere nederzettingen. De sectie werden verkaveld in gelijke geometrische stukken met daartussen een paar hoofdwegen, zijwegen , vaarten en tochten. Het was de bedoeling dat Cornelis zich zou gaan bezighouden met het land van de kavels B 22, 23 en 24, bij elkaar 60 ha in de sectie Vijfhuizen. Samen met de andere kavels bezat de heer van Wickevoort totaal 240 hectaren.

Verkaveld del v.d. Meer met kavels B
Een deel van de drooggemaakte Haarlemmermeer mende rechthoekige kavel verdeling. DE rode kavels zijn die waar de Hoeve Voorzorg op gebouwd werd.

De landbouwgrond waar Cornelis voor verantwoordelijk werd lag niet al te ver van het kleine dorpje Vijfhuizen. De grond waarop geboerd moest worden was verre van geschikt om direct een product op te verbouwen. De ruwe grond, waar nog nooit een aardappel had gegroeid of koren had gestaan, was verre van ideaal. Afgezien van de structuur van de grond bleek ook dat, zeker in het regenseizoen, de grond behoorlijk nat kon worden. De afwatering van de polder was verre van ideaal en dat had ook consequenties voor de spaarzame onverharde wegen die door de polder waren aangelegd. Je mag best zeggen dat de infrastructuur verre van ideaal was. Maar men ging rustig verder met het veilen van de overgebleven kavels. Bij de aanschaf van een kavel moest men goed opletten waar de grond gesitueerd was omdat er hoge en lage gebieden waren en dat had natuurlijk weer gevolgen voor de vochtigheid. De kavels waar Cornelis mee moest werken lagen allen gunstig.

kavels verkocht aan...B
Kopers van kavels in Sectie B van het deel Vijfhuizen.

Op de tekening behoren rood gekleurde kavels tot het land van Cornelis en de licht oranje gekleurde behoren ook tot het eigendom van de heer Wickevoort. Voor het totale oppervlakte betaalde hij in totaal bezat hij in 1853 ruim 100.000 gulden. Mr J.P.A. van Wickevoort Crommelin woonde zelf niet in de Meer maar of in zijn kapitale buitenplaats Wildhoef in Bloemendaal of in Amsterdam. Hij was gehuwd met Cornelia Willink die in 1840 dit mooie buitenhuis in Bloemendaal van haar moeder erfde. De heer van Wickevoort promoveerde in 1922 in Lieden en was burgemeester van Berkenrode ook werd hij later lid van de gemeenteraad van Amsterdam waar hij 1798 is geboren. Later werd hij dijkgraaf van Amstelland (1864-1873). In 1874 overleed hij en werd zijn zoon Willem Philip (1836-1910), door vererving, de eigenaar van Hoeve Voorzorg en dus de nieuwe baas van Cornelis. Willem Phillip van Wickevoort Crommelin was het 5e kind van de 8 kinderen van de familie Wickevoort-Willink.

scannen0012_bewerkt-13
Hoeve Voorzorg met de vroegere verhoogde dag om het graan te laten drogen.

Dus in januari 1856 verliet Cornelis de Heuvelrug en trok hij tijdelijk in bij Jan Krak aan de Spieringweg. (Sectie H, no.1) die daar woonde samen met Evert van der Lee en Klaas van Dijk. Toen de boerderij klaar was ging hij als bedrijfsboer aan de slag in de nieuwe boerderij die als naam ‘Hoeve Voorzorg’ droeg. Hij was vreselijk blij met zijn nieuwe baan en de geweldige plek om te wonen en Cornelis was ingenomen met de zorg die zijn landheer er aan heeft besteed. Hij had het dus getroffen met zijn landeigenaar. Maar regelmatig stond Cornelis stil bij het feit dat het inderdaad een enorme stap was om zijn familie achter zich te laten en zich volledig te storten in het avontuur van de Haarlemmermeer. Maar de uitdaging had meer potentie dan het blijven steken in de kleine wat benauwde omgeving van zijn ouderlijk tehuis. De sociale controle stond de 37 jarige ondernemende boerenknecht ook zeer tegen. Ook al liet hij vader, moeder, 4 zusters en 2 broers achter werd zijn keus dag na dag bevestigd als de enig juiste. Cornelis was realist voldoende om zich regelmatig af te vragen of het hem zou gaan lukken. Een nog vochtig polder, verantwoordelijkheid voor de pacht, een nieuwe boerderij en nog steeds vrijgezel. Maar daar kwam gelukkig verandering en nadat hij Hendrika Overhagen leerde kennen wist hij maar een ding dat hij met haar wilde trouwen en dat gebeurde in mei 1858 in Bunnink een paar km van Rhijnauwen de plaats waar Hendrika is geboren. Op 2 januari 1861 werd hun dochtertje Hendrika Lodder geboren en twee dagen daarna stierf moeder Hendrika. Dat was een groot verdriet voor de 39 jarige Cornelis die ook al in april 1856 zijn broer Dirk Lodder had verloren.

Dat was mede de reden dat sinds mei 1857 de vrouw van Dirk, Adriaantje van den Dikkenberg, bij Cornelis op de boerderij woonde om hem te helpen met het runnen van de dagelijks gang van zaken. Zij had uiteraard haar dochtertje Teunisje Lodder mee gebracht en kon nu ook zorgen voor de pas geboren baby en dochter Hendrika van Cornelis.

Leidsche Courant Maandag 6 julie Schermafbeelding 2015-10-16 om 22.22.00
Ik weet niet of Cornelis de kaart ook gekocht heeft. Het lijkt haast onnodig in een nieuwe polder met een paar wegen die loodrecht op elkaar staan.

Gedurende de eerste jaren bracht het land niet veel op. Goede landbouwgrond, in een tijd dat bemeste nog niet echt een dagelijks gang van zaken was, heeft tijd nodig om te rijpen. Ook was het dagelijks leven in de Meer niet altijd even prettig. Men werd periodiek bestookt met epidemieën en begin zeventiger jaren brak er regelmatig cholera-epidemieën uit met als consequentie dat er veel kinderen en volwassenen overleden of ernstig ziek werden en vrijwel geen enkele arbeider in staat was om zijn werk te doen. Om het huishouden beter te laten verlopen, met twee kleine kinderen en enkel boerenknechten die ook gevoed moesten worden, besloot Cornelis een paar maanden na de dood van Hendrika Overhagen om in juli 1961 Maria Hendrika de Booij (1833-1886) als dienstbode in huis te nemen. Maria geboren in Nootdorp verruilde haar overstap van een ander familie in de meer naar Hoeve Voorzorg om voor het huis en deels gezin te zorgen. Het gevolg was dat Maria en Cornelis ruim een jaar daarna, in augustus 1862, trouwde en een maand daarna werd hun eerst kind Dirk Lodder geboren. Dat was mijn grootvader Dirk (1862-1962) die later met Jannetje Krijtenberg uit Middelharnis is getrouwd en samen hun hele leven in Vijfhuizen hebben gewoond. Daar vier kinderen kregen, waaronder mijn vader als jongste en waar ook een ouder broertje van 2,5 jaar is overleden. Dirk en Jannetje hadden in hun kleine (witte) huisje in een bedstee in de woonkamer waar ik tijdens een logeerpartij heel naar gedroomd heb omdat de spruiten van de aardappels die onder de bedstee lagen opgeslagen dwars door de matras heen groeide en me totaal in hun greep hadden. Als je s ‘avonds naar het toilet moest (een houten huisje dat gebouwd was aan het eind van de tuin) probeerde je het zo lang mogelijk op te houden omdat de fantasie niet mee werkte om daar in je eentje te zitten.

Overigens was het fenomeen ‘trouwen met je dienstbode’ in de 19e eeuw heel bekend. Als men al verliefd werd ging er meestal een proefperiode aan vooraf voordat de knoop werd doorgehakt om te trouwen. Zo ging het waarschijnlijk ook met Cornelis en Maria Hendrika de Booij. Maar mogelijk ook omdat Cornelis zich realiseerde dat hij al 47 jaar was en enige snelheid belangrijk was. Maria de Booij was 14 jaar jonger. In z’n algemeenheid waren de dienstboden in die tijd wel een beetje aangeschoten wild voor jonge weduwnaars of boerenzonen. Talrijk zijn de verhalen dat dienstboden zwanger werden en dan meteen van het erf werden gejaagd. Soms kreeg een knecht wat geld om maar met die zwangere dienstbode te trouwen. (Daar zat dan wel een luchtje aan. De boer zelf of diens zonen wisten er meestal meer van). De andere kant van het verhaal dat ook regelmatig voorkwam is dat de dienstbode haar kans greep om de boer in bed te krijgen. Het gevolg was dat ze op en top boerin kon worden. Wat was anders haar voorland?   Trouwen met een arbeider, een zwik kinderen en om de paar jaar verhuizen naar een ander tochtend landarbeidershuisje! Voor een aantal werd dat niet gezien als aantrekkelijk alternatief.

In het gezin van Cornelis en Maria werden 12 kinderen geboren in een periode van 15 jaar (1862-1877) waarvan er 5 op jonge tot zeer jonge leeftijd zijn overleden. Ook dat was niet uitzonderlijk gelet op de slechte tot niet al te beste hygiënische omstandigheden en beperkte medische voorzieningen. De kindersterfte in de 19e eeuw was hoog in heel Nederland hoog maar in de Haarlemmermeer polder was het percentage van kindersterfte nog iets hoger.

In de familie van mijn moeder en vader komt het voor dat kinderen vlak na de geboorte overlijden. Dat geldt vooral de generaties die leefde net na de droogmaking (1850-1890). Soms tel je in een bepaalde familie dat 40% van de kinderen binnen een paar weken of maanden overlijden. Het is algemeen bekend dat sterftecijfers in Nederland fluctueren. Maar tot circa 1880 warende schommelingen het meest opmerkelijk. De reden was natuurlijk de stevige invloed van allerlei epidemische ziekten. Dat geldt zowel voor kinderen als ouderen. Factoren die hierbij een belangrijke rol spelen zijn Malaria, de sterke verzilting van het oppervlakte water, de afwezigheid van riolering, onvoldoende vuilafvoer. Ook het slechte hygiënisch besef wijst op de verschillen in sterftecijfers in de verschillende delen van Nederland. In de Haarlemmermeer speelde de genoemde oorzaken een zeer belangrijke rol, speciaal in de pionierstijd (1850-1890).

Dokter Bolkenstein
Huisarts Johannes Bolkestein (1828-1888), de eerste arts in de Haarlemmermeer

Bij de organisatie van de nieuwe polder ontbrak het eigenlijk aan een goed doordacht plan dat er naast werken ook nog geleefd moet worden en dat de meest essentiële medische en hygiënische zorg totaal ontbrak. Dat mag je de verantwoordelijken kwalijk nemen. In z’n algemeenheid woonden de kavel kopers niet in de meer. Het overheidsgeld was op en echte interesse van de overheid was afwezig. Achteraf bleek dat de regering met de droogmaking niet het doel had nieuw land te maken en te zorgen dat boeren konden starten met hun productie maar eigenlijk alleen als doel had de Waterwolf te bedwingen door het meer droog te maken. Daarmee had men de dijkdoorbraken en de overstroming bedwongen. En waren Haarlem, Amsterdam en Leiden tevreden.

Zoals gezegd vanwege de slechte hygiënische toestanden braken er verschillende ziektes uit. In 1853/1854 en 1866 grepen bijvoorbeeld zware cholera-epidemieën om zich heen. Malaria was eveneens een groot probleem. De Haarlemmermeer kende in het begin maar één dokter. Ook voor deze 25-jarige arts was het afzien. Met hoge laarzen ging hij door de modder op ziekenbezoek. Hij was vaak uren onderweg om zijn patiënt te bereiken. Onder de hoeven van zijn paard had hij plankjes bevestigd, tegen het wegzakken in de blubber. Ook het aantal vroedvrouwen was zeer beperkt en het aantal jonge echtparen legio. In de Meer woonde in het begin jonge mensen en in 1859 was 15% van de mannelijk Nederlanders tussen de 30 en 40 jaar maar in de Haarlemmermeer vormde deze groep ruim 35%. De gezinnen waren jong en er kwamen veel kinderen.

Burgermeester Pabs
De eerste burgermeester van de Haarlemmermeer van 1855-1863 mr. M.S.P. Pabst (1818-1863).

Het toezicht en de organisatiegraad van de overheid was slecht. Men had geen overzicht en regulerende politiekorps was er niet. Meer dan 40% van de bevolking had zich niet laten inschrijven bij de gemeten. Drank was zoals op meerder plekken in Nederland een fiks probleem. In 1860 tellen we in de polder één café/tapperij op 12 gezinnen. Het verhaal gaat dat na de kerk op zondag men in de cafés de glazen op rij klaar had staan om de gelovige snel te bedienen. Een belangrijk positief feit voor de ontwikkeling van de Haarlemmermeer was de aanstelling van Mr. M.S.P. Pabst als de eerste burgemeester van de Haarlemmermeer. (1855-1862). Mogelijk nog belangrijker zijn opvolger Jacobus Paulus Amersfoordt die van 1863 tot 1867 de Meer heeft geleid. Hij was al jaren actief in de Meer vooral ook op zijn eigenboerderij. Hij had veel verstand van het innovatief runnen van een modern boerenbedrijf. Bovendien stimuleerde hij zijn collegae boeren. Hij ontwikkelde nieuwe moderne landbouwmethoden die hun vruchten afwierpen.

Schermafbeelding 2016-03-26 om 21.43.26
Mr. J.P. Amersfoort (1817-1885) volgde Pabst op als burgermeester van Haarlemmermeer van 1863-1869.

Hij had niet alleen verstand van landbouw en landbouwkundige ontwikkelingen maar runde ook nog zijn eigen modelboerderij de ,,Badhoeve”. Hij was de eerste die op het vaste land van Europa de stoomploeg invoerde (1863). Voorts verbeterde hij de stoomwerktuigen, die tot het drooghouden van de polder werden gebruikt. Daarnaast was en sociaal bewogen mens die veel contacten had een actief optrad. Zo gaf hij eens een lezing voor de leden het genootschap Felix Merites (d.i. “Gelukkig door Verdiensten”) dat  in 1777 is opgericht “ter bevordering en ter beoefening van Kunsten”. De oprichters behoorden tot de gegoede burgerij van Amsterdam. Uit de lezing van Amersfoort haal ik het volgende citaat:

“Wilt ge een recept om spoedig rijk te worden door arme lieden uit te zuigen, te leven van hun zweet? Koop dan een groot stuk grond zoo goedkoop mogelijk in, het geeft niet hoe de hoedanigheid van den bodem is, want iedereen wil land huren. Verdeel het in kleine percelen, verhuur die voor tien gulden per honderd ellen per jaar, laat het geld liefst enige jaren vooruit betalen. Laat Uw pachters een ellendige hut bouwen van planken en stro en sla dan de pacht op. Kunnen zij niet betalen, zoo behoren de hutten aan U en het land “met opstallen” is weer meer waard Zorg ervoor, dat ge nooit op Uw land aanwezig zijt Of Uw pachters te kampen hebben met ziekten, epidemieën, misgewas, dood, bemoeit U er niet mee; dat zijn zorgen voorde buren, de gemeente. Als er geld verzameld wordt om een kerk of een school te bouwen, wees dan nooit te vinden. Wees zelf lid van een bijbel- of zendingsgenootschap in de stad, maar zuig de Meer uit ten koste van menschen en grond”.

Een ongelofelijk gewaagde toespraak gebaseerd op overtuiging en praktische kennis die hij had opgedaan tijdens zijn eerste jaren in de Haarlemmermeer. Ook was Amersfoordt actief in allerlei functies zoals b.v. het Hoofdbestuur der Hollandsche Maatschappij van landbouw. In 1858 werd van deze organisatie de afdeling Haarlemmermeer opgericht waarvan men probeerde zoveel mogelijk boeren uit de Meer lid te laten worden. Ook Cornelis Lodder was lid hetgeen een indicatie is dat hij zeer serieus met zijn vak bezig was

Zo tegen 1880 kwam er een einde aan de pioniersfase. Het bestuur, de administratie en het Waterschap waren in die tijd al beter georganiseerd en de bemaling werd sterk opgevoerd. De aan de boeren gegeven voorlichting over nieuwe landbouwtechnieken en -mechanisatie sloeg langzamerhand aan. Omdat de grond niet was versnipperd, zoals dat op ‘oud land’ meestal het geval was, kon de moderne bedrijfsvoering gemakkelijk worden gerealiseerd, en zo werd de voormalige gevaarlijke watermassa een welvarend grootschalig landbouwgebied.  En dat was aantrekkelijk voor een boer in hart en nieren. Want dat was Cornelis zeker.

Schermafbeelding 2016-03-26 om 21.38.14

Op 17 december 1885 brandde de Hoeve Voorzorg af, waarbij ook een houten schuur en een kapberg verloren gingen. Verder gingen grote hoeveelheden opgeslagen voedsel en een deel van de huisraad verloren.

In de pers (de Meerbode) van (1885) verscheen het bericht over de brand waarbij melding wordt gemaakt dat de oorzaak onbekend is. Gelukkig was e.e.a. wel verzekerd.

Bericht in Meerbode van de brand Voorzorg_0001
Stukje uit de Meerbode

Ook in de gemeente werden aantekeningen bewaard over dit soort voorvallen. Hieruit blijkt dat de brand s ‘middags om half zes uitbrak en dat de brandweer geblust had met spuit nummer 1. Niets kon gered worden dan het vee, terwijl men een zieke vrouw nog bijtijds uit het huis heeft kunnen dragen. Dat zou vermoedelijk de vrouw van Cornelis, Maria de Booij geweest kunnen zijn omdat zij in juni 1886 is overleden. Maar dat is natuurlijk erg speculatief.

Na de brand bouwde men een nieuwe stolp boerderij met een extra uitbouw voor een graanzolder. Het was een moeilijke periode voor Cornelis. De brand en daarbij ook nog het overlijden van zijn vader Dirk Lodder in Woudenberg vielen samen in dat jaar. Het jaar daarop overleed ook nog zijn relatief jonge vrouw Maria op 17 juni. Cornelis bleef alleen achter wel kwam zijn jongste broer van de Utrechtse Heuvelrug naar de Haarlemmermeer. Juist ook in die periode speelde de ook de landbouwcrises (1880-1890) die het leven en de economische toestand van het boerenbedrijf behoorlijk heeft aangetast. Ook Cornelis heeft daar veel last van ondervonden.

Op een leeftijd van 77 jaar overleed hij in de Haarlemmermeer (7 december 1896) na een leven met vele ups en downs. Zijn zoon Dirk (mijn grootvader) was beredder van de boedel en via een notariële acte werd alles opgemaakt. In de opkamer van de boerderij stond een secretaire die verzegeld was met daarin het huurcontract uit 1880 tussen de zoon Willem Philip van Wickevoort en Cornelis. Ook in de secretaire vond men nog een verklaring van 1 november 1869 betreffende de overname van de boerderij-inventaris door C. Lodder van de vorige eigenaar mr. J.A.P. van Wickevoort Crommelin. Voor bijna 4100 gulden. Nadat door de heer van Wickevoort de boerderij was verkocht in 1897 werden door de erven Lodder in het openbaar de roerende goederen van de familie Lodder verkocht.

In 1896 overleed dus de eerste Lodder die als pionier in de Haarlemmermeer heeft gewerkt, gewoond en geleefd.,In het sterfjaar van mijn betovergrootvader die van 1856-1896, dus 40 jaar van zijn beste krachten aan de Haarlemmermeer heeft gegeven is het wel een aardig beeld hoe het Polderbestuur haar taken samenvat. Ik citeer selectief uit een publicatie van “Jaartallen geschiedenis Haarlemmermeer 1800 e.v.” van de Nederlandse Gemalen Stichting; 18-01-2002)

Op zaterdag 15 februari 1896 wordt er een vergadering van het college van hoofdingelanden (bestuurders van het Heemraadschap) gehouden.mDe voorzitter van het college blikt met genoegen terug op inmiddels 40 jaar polderbestuur. Hij somt de verschillende verbeteringen op, waaronder de verbetering van de machines van de stoomgemalen, door een uitbreiding van het aantal ketels, de renovatie van het gemaal De Lynden, (waardoor het z’n huidige vorm kreeg, daarvoor hadden Lynden en Cruquius eenzelfde uiterlijk) en de aanleg van een schutsluis bij Aalsmeer “ten gevolge waarvan de polder zich in een uitmuntende toestand bevindt en gerust de vergelijking met andere polders kan doorstaan”. In deze vergadering wordt de heer Crommelin, die al veertig jaar deel uitmaakt van het polderbestuur een fraaie zilveren inktkoker met toepasselijke inscriptie aangeboden. In de vergadering van 8 april wordt van gedachten gewisseld over de verdieping van verschillende tochten. Ook komt de bestelling van grind voor de verharding van de polderwegen, waar de polder toen nog de zorg voor had, aan de orde. De heer D. Visser wordt aangesteld tot brugwachter aan de brug bij Cruquius, in plaats van P. Kennedy, die wegens lichaamsgebreken eervol ontslag had gekregen. Machinist Bras viert zijn 40-jarig jubileum bij de polder. Hij krijgt een gouden horloge (ter waarde van honderd gulden) en een getuigschrift.

(Wordt vervolgd zie later deel V)

Een gedachte over “Zondag 24-04-2016: Overgrootouders en de Waterwolf (IV)”

  1. Geachte heer Lodder,
    In het verleden hebben wij contact gehad over de boerderij Voorzorg n.a.v. een boekje dat ik voor Reinier van Elderen gemaakt had.
    Reinier heeft me uw link gestuurd. Mijn vraag is kan ik ook de link krijgen voor de delen I, II en III.

    Met vriendelijke groet,
    Jan Tolboom
    Leiderdorp

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *