Zondag 2 april 2017: Hiëronymus van Alphen overleed op zaterdag 2 april 1803.

Hiëronymus van Alphen is op 56 jarige leeftijd in Den Haag overleden en werd geboren op maandag 8 augustus 1746 in Gouda. Hij was dichter en advocaat maar schreef ook allerlei ander boeken en geschriften en studies over religie, kunsten en wetenschap, zangbundels voor de eredienst en verhandelingen over poëzie. Hij is het meest bekend geworden door zijn gedichten voor kinderen.

Hij was de zoon van Johan van Alphen, raad in de Vroedschap (gaf dus advies aan het stadsbestuur) en schepen ( wethouder) van Gouda, en Wilhelmina Lucia van Alphen (volle nicht). Hij was een kleinzoon van de Utrechtse hoogleraar Hiëronymus van Alphen (De naamgever van de Hiëronymus van Alphen Prijs voor de Kinder- en Jeugd-literatuur.) Zijn vader overleed toen van Alphen vier jaar was. Samen met zijn moeder verhuisde hij naar Utrecht. Hij studeerde rechten en letteren in Leiden, waar hij zich bekeerde tot een piëtistische vorm van het christendom. In 1768 werd Van Alphen advocaat in Utrecht. In 1772 trouwde hij met Johanna Maria van Goens. Zij overleed in 1775 bij de geboorte van hun derde kind. In 1780 werd Van Alphen procureur-generaal. Hij hertrouwde met Catharina Geertruyda van Valkenburg, met wie hij nog twee kinderen kreeg. In 1789 werd hij in Leiden benoemd tot stadspensionaris (een jurist die het stadsbestuur adviseerde) en vier jaar later tot Thesaurier-generaal (te vergelijken met een minister van financiën) van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Toen de Republiek ineenstortte, in 1795, legde Van Alphen als overtuigd Orangist zijn functie neer.

In de periode 1794-1799 stierven twee zoons, een kleinzoon en een schoondochter. In 1803 overleed Van Alphen aan een beroerte. In 1807 kwamen zijn tweede vrouw en een dochter om bij de grote Leidse buskruitramp waarbij meer dan 100 mensen om het leven kwamen toen een schip met duizenden kilo’s buskruit in Leiden ontplofte.

Kindergedichten. Zoals boven vermeld schreef van Alphen naast vrome poëzie voor volwassenen en kunsttheoretische en religieuze beschouwingen ook kindergedichten. Hij schreef in totaal 66 kindergedichten. Hij testte zijn gedichten via zijn eigen kinderen. Maar schreef ook specifieke bundels voor zijn kinderen zoals: ’Ziedaar, lieve wigtjes! Een bundel gedigtjes’ en gaf ze aanvankelijk anoniem uit. Deze bundels werden een groot succes, zijn tientallen malen herdrukt en zijn vertaald in het Frans, Duits, Engels, Fries en Maleis. Uit de kinder gedichten spreekt een voor die tijd moderne visie op het kind (naar ideeën van de Verlichting). Hij beschouwde het kind als een onbeschreven blad, dat deugden als gehoorzaamheid, eerbied voor de ouders en voor God en bescheidenheid aangeleerd kon worden. Hij vond ook dat kinderen spelenderwijs moesten kunnen leren. Hij dichtte:  ’Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen, En waarom zou mij dan het leeren verveelen?’  Ouders zijn vergevingsgezind, zo hield hij de kinderen voor, als je maar eerlijk en oprecht bent: ‘Kom Keesje lief! hou op met krijten, Zei moeder toen: ‘k Wil u dien misslag niet verwijten, Hij kreeg een zoen.’

Zijn kindergedichten waren simpel van opzet door hun eenvoudige en strakke rijmschema’s, waardoor ze gemakkelijk uit het hoofd geleerd konden worden. Zijn bekendste gedicht is De Pruimeboom (1779). Waarvan de eerste 4 regels overbekend zijn nl: Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eijeren zo groot. ‘t Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,mSchoon zijn vader ‘t hem verbood.

De kindergedichten van van Alphen worden vaak afgedaan met de duiding: kinderversjes. Natuurlijk zijn ze braaf maar je moet wel bedenken dat ze geschreven zijn in de 18e eeuw waar kinderen zowel thuis als op school zeer streng werden opgevoed en dat gehoorzaamheid erg belangrijk was. Van Alphen heeft ervoor gezorgd dat vrijere opvattingen over de opvoeding doordrongen tot brede lagen van de bevolking.

 En dan nu een gedicht van Hiëronymus van Alphen over vriendschap::

De ware vriendschap

Een vriend, die mij mijn feilen toont,
Gestreng bestraft, en nooit verschoont,
Heeft op mijn hart een groot vermogen:
Maar ’t laag gemoed, dat altoos vleit,

Verdenk ik van baatzuchtigheid,
Ik kan zijn bijzijn niet gedogen.
Die zelden prijst, spreekt vriendentaal.
Die altoos vleit, liegt menigmaal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *