Zaterdag 17 december 2016: De duizendkunstenaar Isaac Bashevis Singer

In 1978 kocht ik bij de Slegte in Enschede zes boeken van de kersverse Nobelprijs winnaar voor de literatuur Isaac Bashevis Singer.

Ze stonden alle zes naast elkaar op de plank en nadat ik 19,50 Nederlandse guldens had betaald kon je geen tweede hands Singer meer kopen in Enschede. Thuis gekomen zocht ik het boek dat ik ooit van Singer had gekocht. IK wist niet eens meer wat de titel was maar wat ik me zeker nog goed herinnerde waren de illustraties.  Mogelijk waren het die fraaie tekeningen de reden waarom ik het boek indertijd had aangeschaft. Het was geen roman maar een serie verhalen met de titel:  ‘Toen Slemiel naar Warschau ging’. In 1968 uitgegeven bij uitgeverij De Fontein met de sfeervolle zwart-wit tekeningen van Margot Zemach (1931-1981).

toen-slemeil-naar-warschau-ging
Schlemiel deed een dutje langs de kant van de weg en zette zijn schoenen in de loop- richting van Warschau. Maar de smid van het dorp draaide schoenen 180 graden. Dus Schlemiel kwam na een paar uur lopen in Chelm het drop waaruit vertrokken was.

Eigenlijk was het een ook een kinderboek dat ik indertijd had aangeschaft. Het bevat verhalen die Singer zelf bedacht heeft, van zijn ouders heeft gehoord of die zijn gebaseerd op volksverhalen van Pools-Joodse origine. De uitgever zegt op de achterflap: “Vindingrijke listen en lachwekkende domheden vormen de typisch Joodse gein, waardoor deze verhalen te waarderen zijn door iedereen vanaf ongeveer 12 jaar.” Het zijn inderdaad verhalen over een rijke fantasie wereld en schone schijn. Het zijn verhalen die je binnen een uur uitleest en dan weer opnieuw zou willen beginnen bleek die avond. Staande bij de boekenkast  begon ik direct het titelverhaal te lezen. Dat gaat over Schlemiel – die een hekel heeft om in beweging te komen – en steeds weer denkt om die geweldige stad Warschau eindelijk eens zelf te bezoeken. En ja hoor hij beslist op pad te gaan en na uren lopen werd hij zo moe dat hij ging slapen aan de kant van de weg. Maar voordat hij zijn ogen dicht deed dacht hij ik moet goed onthouden in welke richting Warschau ligt en waar ik vandaan kom. Hij trok zijn laarzen uit en zette die met de punten in de richting van Warschau. Nu kon er niets meer misgaan. Hij droomde en de smid uit Chelm (die ook in zijn dorp woonde) kwam langs en die had gezien hoe Schlemiel zijn laarzen zorgvuldig had neergezet. De smid stond bekend om zijn grappen. Toen hij Schlemiel hoorde snurken draaide hij snel zijn laarzen om. Schlemiel trok zijn laarzen aan na dat hij wakker werd en liep in de richting van de neuzen. Toen hij een tijdje liep herkende hij alles en de mensen die hij tegen kwam kende hem ook. Hij was weer in Chelm en vroeg zich af hoe dat nu mogelijk was. Er waren dus twee Chelms. Toen moest hij denken wat hij op de cheiderschool had geleerd: ‘De aarde is overal hetzelfde’ Dus was het tweede Chelm gelijk aan het eerste. En zo kwam hij thuis bij zijn tweede vrouw met kinderen die net zijn eigen kinderen waren. Zelfs de kat leek hetzelfde. En zo maakt Schlemiel nog een aantal avonturen mee. En dat eindigt het verhaal met: ‘Dikwijls als hij in zijn eentje zat te piekeren over de vreemde gang van zaken in de wereld raakte hij meer en meer in de war en dan begon jij in zichzelf te neuriën:

Wie weggaat van Chelm, Komt terug in Chelm. Zij die blijven in Chelm, Zijn zeker in Chelm. Alle wegen leiden naar Chelm. De hele wereld is een groot Chelm.

singer1
Singer achter zijn schrijftafel.

Singer stelt terecht dat er geen wezenlijk verschil is tussen de verhalen voor volwassenen en die voor kinderen. Achteraf waren het niet die verhalen maar de Nobelprijs die zorgde dat ik de Slegte bezocht en me de weken daarna in Singer en zijn romans ging verdiepen. Ik weet nog dat de verkoper vroeg of ik een echte liefhebber was. IK vertelde hem dat ik dat eigenlijk nog niet wist maar dat ik me graag in de kersverse Nobelprijs winnaar wilde verdiepen. ‘Jammer dat ik dat niet wist’ zei hij en vervolgde met ‘anders had ik de prijs aangepast’. ‘Maar ja ik kon het ook niet weten want ik was gisteren jarig’. ‘Nog gefeliciteerd’ zei ik en ‘jij’, zei hij ‘met je goedkope literatuur’. Zo ongeveer ging dat toen en het gevolg was wel dat ik nadien nog veel nieuwe exemplaren van Singer’s werk heb aangeschaft.

Wie is Isaac Bashevis Singer? Hij is geboren in en dorp vlak bij Warschau op 21 november 1904 en overleden op 2 juli 1991 in Miami, Florida. Hij was een Poolse schrijver die in het Jiddisch schreef en in 1943 het Amerikaans staatsburgerschap kreeg. De Nobelprijs voor de literatuur ontving hij in 1978. Hij was niet de eerste schrijver die in het Jiddisch schreef en de prijs in ontvangst mocht nemen. In 1966 ontving Sjmoeël Josef Agnon (1888-1970) als eerste schrijver de Nobelprijs voor de literatuur. Zijn thema was het beschrijven van de verdwijnende tradities van het Joodse leven en hij probeerde ook de joods-religieuze personages in Jeruzalem vast te leggen. Singer werd geboren als Isaac Hertz Singer, maar gebruikte behalve het pseudoniem Warhofsky de schrijversnaam Isaac Bashevis Singer. Zijn vader en grootvader waren chassidische rabbi’s.  Chassidisme is een ultraorthodoxe richting binnen het jodendom en vindt zijn oorsprong vooral in Oost-Europa. Ook zijn moeder Bathsheba (Jiddisch: Bashevis) was een dochter van een rabbijn en zowel zijn oudere broer als zijn zuster werden later literair actief.

Singer groeide op in de arme Jiddisch-joodse wijk van Warschau, waar zijn vader werkte als rabbijn, rechter en geestelijk leider. Hij woonde tijdens de Eerste Wereldoorlog in het sjtetl Bilgoraj (een Poolse stad die een geheel joodse infrastructuur had). In 1920 bezocht hij het Rabbijns Seminarium te Warschau, maar keerde spoedig terug naar Bilgoraj, waar hij in zijn onderhoud voorzag door het geven van Hebreeuwse les. In 1923 verhuisde hij weer naar Warschau, waar hij werkte op de redactie van het Jiddische literaire weektijdschrift “Literarishe bleter” (1924-1939) dat werd uitgegeven door zijn broer, die een sterke invloed op zijn seculier-geestelijke ontwikkeling had.

singer-satan-in-goray
debuut roman van Singer in 1935

Isaac Bashevis Singer debuteerde in 1935 met ‘Satan in Goray’ in het Jiddisch geschreven en in het Engels vertaald. De novelle verhaalt de gebeurtenissen rondom de valse Messias Sjabbatai Zwi. In 1933 kwam Hitler aan de macht en wegens het toenemende antisemitisme emigreerde Singer naar de V.S. Hij verliet zijn vrouw Rachel, die met hun zoon Israel naar Moskou en later naar Palestina vertrok. In New York vond hij werk als journalist en feuilletonschrijver bij de Jiddische krant Forverts (Voorwaarts, Jewish Daily Forward) en trouwde in 1940 met de Duitse emigrante Alma Haimann. Sinds de jaren 40 groeide Singer’s reputatie bij de Jiddische gemeenschap in Amerika. Hoewel na W.O. II de joodse cultuur in Midden- en Oost-Europa was vernietigd, leefde in de V.S. de taal en de cultuur voort mede dankzij het werk van Singer en andere schrijvers. In een interview (1979) beschreef hij die Oost-Europese Joodse cultuur als een geest die voortleefde: “dit is een soort mystiek gevoel, maar volgens mij schuilt er waarheid in”.

Waar gaat zijn werk over? Hij beschreef in zijn werken de leefwereld in het getto van Warschau en de sfeer van de Oost-Europese sjtetls  met haar geloof en bijgeloof, folklore, de kloof tussen joden en hun omgeving. Later werd zijn hoofdthema gevormd door de ervaringen en gevolgen van de Holocaust en de positie van de joden in Amerika. Kenmerkend voor zijn verhalen zijn de occulte en mystieke inslag, de warme belangstelling en liefde voor zijn onderwerpen en de elementen van fantasie en humor waarmee hij zijn verhalen doorspekt. Zijn boeken tonen zowel edelmoedigheid als misdadig gedrag, liefde en grove erotiek, religieuze overgave en wanhopig (on)geloof. Het is een fascinerende wereld die je weg drijft van het hier en nu en die ook een beeld schets van de toenmalige joodse gemeenschappen met hun eigen hebbelijkheden en de relatie met de rest van de wereld. Singer beschrijft het allemaal. In kinderboeken, romans, novellen en verhalen bundels en enkele toneelstukken en een paar autobiografieën. In totaliteit heeft hij een kleine 50 boeken gepubliceerd. In 1966 verscheen een autobiografisch werk met herinneringen aan de tijd in Polen onder de titel ‘In my Father’s Court’ dat in het Nederlands verscheen als ‘Het hof van mijn vader’). Persoonlijk val ik bij Singer (zoals bij ook bij andere z.g. joods schrijvers zoals Chaim Potok) voor de wonderlijke niet meer bestaande wereld van rabbi’s, scharrelaars, charlatans, geesten, duivels en demonen.

images
Nederlandse vertaling van “In my Fathers Court” (1992).

Om een indruk te geven van Singer’s werk kan je kiezen uit zo’n 50 boeken. Ik heb ze niet allemaal gelezen maar wel ruim 20%. Het blijft dus een persoonlijke keus met welk werk je hem het meest kan karakteriseren. Ik koos er een paar uit, allen met verschillende motivatie.

 ‘In het Hof van mijn vader’ beschrijft Singer zijn jeugd. (Arbeiderspers 1992, door Singer gepubliceerd in het Engels in 1966). Het is in wezen een soort autobiografie waarin hij ‘In my fathers court’ zijn jeugd met zijn relaties in het gezin beschrijft. Hij beschrijft in kort fragmenten zijn relatie met zijn ouders en de gewoonten van alle dag binnen het gezin. De liefde voor zijn moeder is erg groot. Hij zegt over haar: ‘Zij had een charme die stamde uit antieke tijden. Als iemand van ons iets in zijn oog had, dan likte ze met haar tong je oog schoon. Maar ze bestudeerde ook ernstige filosofische werken’. Hij ontvangt een traditionele Joodse opvoeding en toont zich als snel een verwoed lezer waarbij zijn voorkeur uit gaat naar schrijvers zoals Hoffman, Poe, Kleist en Hansum maar ook Thomas Mann mag niet vergeten worden. In ‘Het hof van mijn vader’ is eigenlijk een mixture van bellettrie en memoires. Hij heeft er wel eens over gezegd dat veel van de stukken die hij in dit boek heeft gebruikt uit oudere journalistieke verhalen komt en columns die hij in de krant had geschreven vaak onder een andere naam. Het gezin waarin hij opgroeide bestond uit de huiskamer en het leven dat zich daar afspeelde maar het was ook een rabbinale rechtbank. De grens tussen privé en het rabbinale hof ‘Beth Din’ was niet scherp te trekken. Als je vader rabbijn is en je woont in een sterk religieuze wijk dan is het huis van de rebbe als het ware een mengeling van (joodse) rechtbank, synagoge en leerhuis.

Dit autobiografische boek van Singer wordt wel beschouwd, als een van zijn mooiste, intiemste en meest nostalgische. De New York Times schreef bij de eerste Engelstalige editie: ‘Met deze herinneringen van een wereld van gisteren die voorgoed voorbij is beschrijft Singer zoals Zola over de buik van Parijs schreef, Fontane over de Mark Brandenburg’. Singer beschrijft in het boek over de lange stoet mensen die op bezoek kwamen bij zijn vader om raad te vragen, die geld nodig hadden en moesten bijpraten en discussiëren, ruzies bijleggen en biechten. Het huis van zijn vader (en moeder) was niet alleen privé maar ook een centrale plek van de Joodse gemeenschap van die tijd. Hij moet beschikken over een ongewoon geheugen want met alle details komen de verhalen tot leven

Recensenten schrijven dat dit boek alleen gemaakt kan worden door een schrijver die op het toppunt staat van zijn carrière staat. Hij wordt bij sommige ook vergeleken met bv Leo Tolstoj.

9067660256
Yentl werd als Rainbow pocket (no.25) in 1978 gepubliceerd.

 Yentl de jesjiewa-jongen. Een verhaal van een heel ander kaliber dat als Yentl bekend is geworden bij het grote publiek door de in 1983 door Barbara Streisand (regie en hoofdrol) geproduceerde muziekfilm met zeer bekende songs van Michel Legrand als ‘Papa, Can You Hear Me?’. In Nederland is het boek gepubliceerd in 1978 het jaar dat Singer de Nobelprijs ontving.

De film is gebaseerd op een van de 16 verhalen die in mijn Rainbow Pocket (nummer 25) slechts 30 bladzijde beslaat en dan de titel heeft : “Yentl de jesjiewa-jongen”. In dit verhaal is het belangrijk thema de botsing tussen de oude, traditionele waarden en de moderne wereld, tussen orthodoxie en vrijdenkerij. In de patriarchale joodse wereld waarin Yentl opgroeit, is het onmogelijk om als vrouw te studeren. Yentl’s talenten, nieuwsgierigheid, intelligentie en ambitie worden beschouwd als mannelijke eigenschappen. De enige mogelijkheid voor haar om toch te studeren, is het verbergen van haar sekse en hiermee dus een deel van haar identiteit.  Dit leidt tot een ontdekkingstocht naar zelfinzicht, waarbij zij zich ontworstelt aan traditionele opvattingen over gender en seksuele identiteit. Yentl’s strijd tegen sociale verwachtingen en haar omkering van de traditionele gender-rol, gaat verregaand in tegen diepgewortelde religieuze grenzen, vooral als Yentl met Hadass trouwt. Dit alles leidt tot een enorme spanning in ‘het huwelijk’ maar natuurlijk vooral bij Yentl. Ze nam het uiterlijk van een man aan om te kunnen studeren maar na haar huwelijk moet ze als echtgenoot leven. Het raakt nu niet alleen sociaal en religieus gezien haar identiteit als vrouw, maar ook persoonlijk en seksueel. In het oorspronkelijke verhaal van Singer, leidt de botsing tussen het natuurlijke gegeven van de sekse en karakter/intelligentie/talent aan de ene kant en de sociale en religieuze beperkingen aan de andere kant, tot een leven in pijn, vervreemding en bedrog. Na het stuklopen van haar huwelijk blijft Yentl vastzitten in haar vermomming en door haar afwijzing van een normaal leven, vindt zij geen plek meer in de samenleving. De film verzint een wat positiever slot aan het verhaal.

‘De duizendkunstenaar van Lublin’ opende voor mij een wonderlijke wereld van rabbi’s hun/de duivels en demonen. (In het Engels gepubliceerd in1960 ‘The magician of Lublin’ en in1966 bij de arbeiderspers in het Nederlands) Het toont ook schrijnende aspecten van deze zeer arme sjacheraars van de dag in de getto’s. Gelukkig (in dit geval niet de juiste term) een niet meer bestaande maar wel een zeer fascinerende wereld. Het boek gaat eigenlijk over de lotgevallen van Jasja Mazur, een in Polen rondreizend variétéartiest, die zich op geen enkele wijze de genoegens des levens laat ontgaan. Eén keer begaat hij echter een misstap. Hij breekt in om met zijn grote liefde een nieuw leven te kunnen beginnen. Daarna blijven de onheilen hem achtervolgen. Je voelt mee hoe de artiest Jasja langzaam maar zeker verandert in een soort vrome kluizenaar die tenslotte eindigt als een asceet en een heilige. Singer is daarom zo belangrijk omdat hij diep inzicht verschaft in een periode uit de geschiedenis, die voor goed voorbij is. Als geen ander, laat hij zien hoe de Oost-Europese joden leefden, niet alleen in die landstreken zelf, maar ook als zij, door vijandige omstandigheden gedwongen, hun land moesten verlaten. Levend in New York, Israel of Parijs, vol van heimwee naar vroeger, toen Hitler nog niet over het apparaat beschikte dat hen voor het grootste deel zou uitroeien.

boekomslag-de-duidendkunstenaar-van-lublin
Arbeiderspers 1966

Singer die een zeer groot deel van zijn leven in New York woont, is de vertolker van dat heimwee. Feilloos registreert hij de vreugden en verdrietigheden van die ontwortelden, hij beschrijft hun hoop op een betere samenleving en de pogingen die zij in het werk stellen om die te bereiken. Literair gezien is het niet zo’n geweldig boek maar hetgeen hij vertelt en de wijze waarop maakte en zeer groet indruk. De gebonden editie van 1966, die ik bezit, is extra mooi vanwege de tekeningen van Kurt Löb.

Nobel prijs (1978). Het juryrapport van de Zweedse academie laat zich in dezelfde geest uit. Hij krijgt de prijs, zo lezen we, “voor zijn bewogen vertelkunst. die, geworteld in de Pools-joodse culturele overlevering, universele menselijke omstandigheden tot leven heeft gebracht”. Zijn werk kent slechts één thema, in het juryrapport omschreven als ,,de wereld, de levensomstandigheden van het Oost-Europese jodendom, zoals dat werd geleefd in steden en dorpen, ln armoede en vervolging, doortrokken van een diepe rituele vroomheid, samengaand met blind geloof en bijgeloof.” Wie leen aantal verhalen en boeken van Singer gelezen heeft zal dit een treffende omschrijving vinden. De Nobelprijs die Singer ontving leverde trouwens een situatie op die zo uit een van zijn boeken zou kunnen komen. Zes jaar lang stond op zijn grafsteen vermeld dat hij een ‘nobele’ prijswinnaar was. Ongetwijfeld waar, maar kloppen deed het niet. In 1996 is de steen aangepast. Singer zou van de ironie genoten hebben.

Na het banket dat ter ere van de winnaars van de Nobelprijs werd gehouden hield Singer nog een korte tafelrede waarin hij inging op vragen die hem werden gesteld bij de bakker of in de boekwinkel. ‘Mensen vragen me vaak waarom ik schrijf in een taal (jiddisch) die op sterven ligt. Ik wil dat wel uitleggen hoe dat zit. In de eerste plaats schrijf ik graag spookverhalen en wat past er beter bij een spook dan een uitstervende taal. Hoe doder de taal, des te levend de spook. Spoken’, zo vervolgt hij ‘zijn dol op ]jiddisch ; ze spreken het allemaal. In de tweede plaats geloof ik in de wederopstanding. Ik ben er zeker van dat de Messias spoedig zal komen en dat miljoenen Jiddisch sprekende doden op een dag uit hun graf zullen opstaan, en de eerste vraag die dan zal worden gesteld is: “Wat voor nieuwe Jiddische boeken zijn er de laatste tijd uitgekomen ?” In de derde plaats is het Hebreeuws jarenlang een dode taal geweest, en op een dag is hij ineens weer tot leven gekomen. ‘Wat er met het Hebreeuws is gebeurd kan ook met het Jiddisch gebeuren, alleen heb ík geen flauw idee hoe. In de vierde plaats, is het Jiddisch de enige taal die ik echt goed ken. Dat is natuurlijk een ondergeschikte, maar toch een goede reden.’

 imgresWaarom Singer? Het is moeilijker om op deze vraag in algemene termen te antwoorden. De keus is zeer persoonlijk. Dus vandaar waarom vind ik Singer en met hem andere Joodse schrijvers ( b.v. Chaim Potok, die qua schrijverschap dezelfde thema’s bewerkt) nog steeds interessant om te lezen. Een oppervlakkige benadering is misschien de religie die handen en voeten krijgt in alle aspecten van het maatschappelijk leven. Eerlijk gezegd was mijn keus indertijd ook ingegeven door de interesse in jodendom en het daaraan vastzittende geloof. Dat kreeg een kentering toe ik rondgelopen heb in de wijk Mea Shearim in Jeruzalem en probeerde te begrijpen hoe men daar samenleven en de mannen (onderhouden door rijke Amerikanen) geen deel uit maken van de ‘gewone’ maatschappij en niets anders doen dan in de sjoel zitten en studeren. Die studie is niet gericht op het vermeerderen van kennis over de wereld en de problemen die daar zijn en op welke manier de conflicten in hun leefomgeving kunnen worden opgelost. Men staat niet naar de wereld maar keert zich dar van af. Dat was anders in de maatschappijen die beschreven worden door Singer cs die het meestal niet hebben over de actuele situatie maar het (nostalgische) samenleven en het overleven beschrijven. Of is het lot van de Joods-Amerikaanse immigranten iets, wat ons bijzonder raakt? Zijn de soort verhalen van deze ontheemden die vaak hun (traumatische) ervaringen zo boeiend weten te beschrijven?

Persoonlijk denk ik eerder dat het de beschrijving is van een periode in de geschiedenis die voor goed voorbij is. Het zijn de mensen die in hun getto’s er iets van gemaakt hebben wat onmogelijk leek. De geschiedenis van de Oost-Europese joden heeft verschillende dimensies. Je hebt het arm, er is geen welvaart je wordt in het land waar je woont gediscrimineerd en vernederd. Singer laat als geen ander zien hoe de Oost-Europese joden leefden, niet alleen in die landstreken zelf, maar ook als zij, door vijandige omstandigheden gedwongen, hun land moesten verlaten. Levend in New York, Israel of Parijs, vol van heimwee naar vroeger, toen Hitler nog niet over het apparaat beschikte dat hen voor het grootste deel zou uitroeien.

Portrait of American novelist Henry Miller (1891 - 1980), 1950s. (Photo by Hulton Archive/Getty Images)
Portrait of American novelist Henry Miller (1891 – 1980), 1950s. (Photo by Hulton Archive/Getty Images)

Singer die het grootste deel van zijn leven in New York woont, is de vertolker van dat heimwee. Feilloos registreert hij de vreugden en verdrietigheden van zijn die ontwortelde landgenoten. Hij beschrijft hun hoop op een betere samenleving en de pogingen die zij in het werk stellen om die te bereiken. Ik houd van zijn serieuze stijl aar altijd plaats is voor humor. Ik be het geheel eens met Henry Miller die over Singer schreef: ‘Een schrijver om gek van te worden! Isaac Bashevis Singer, gezegend zij zijn naam!’

Een van de meest boeiendste boeken is de roman ‘Shosha” die hij schreef in het jaar dat hij de Nobelprijs ontving en in 1979 in Nederlands bij de Arbeiderspers verscheen. Het verhaal speelt aan de vooravond van de Tweede wereldoorlog in polen Over het land vallen al de sinistere schaduwen van Nazisme (Duitsland) en stalinisme (Rusland). Daaroverheen kwam ook nog het Antisimitisme van uit Polen zelf. Lijdend onder de systemen beschrijft hij een aantal karakters die in Warschau leven. Het boek is onthaald als een meesterwerk en direct duidelijk liet zien dat niemand anders dan Isaac Bashevis Singer de Nobelprijs voor literatuur in Stockholm mocht ophalen.

Tot slot iets over ‘Ontroerende onzin’. Ik had het stukje over Singer net klaar toen ik het interview las met Roni Palache in dagblad Trouw van 8 december 2016. Het interview was naar aanleiding van haar boek dat zojuist is verschenen met de titel ‘Ontroerende onzin. De joodse identiteit in het Nederland van nu’. In deze bundel geeft ze een historische schets van geloof, levenswijze en cultuur van de Nederlandse joden. Ze verzamelde die informatie door het interviewen van meer dan honderd Nederlandse joden van drie generaties. Uit de interviews blijkt dat de Nederlandse Joden een complexe wereld schetsen waarin God een kleine rol speelt. Wat is dan het joods zijn. Bij de joodse schrijvers als Singer en Potok die beiden in de USA wonen en werkten was dat wel duidelijk, maar hier en nu in Nederland? Voor Palache zelf heeft het erg te maken met er bij horen. Herkenning en traditie. En eigenlijk geldt dat ook wel voor de ander geïnterviewde.

palache-ontroerende-onzin-640x1024
Voorkant van Ontroerende onzin van Ronit Palache dat werd uitgegeven op 22-11-2016

Maar het is ook delen van een zwaar verleden en daarbij speelt natuurlijk de Tweede wereldoorlog een essentiële rol. Er is ook verdeeldheid en verschil tussen jong en oud. Er zit een diep kloof tussen vrome en de vrije tak. Je krijgt de indruk dat jood zijn geen pretje is terwijl iedereen zich wel jood voelt. Wat is de bindende factor dan? Bij elkaar komen op Grote Verzoendag in de grote Portugese Synagoge in Amsterdam? Het antwoord is niet eenduidig maar uit de aanprijzingen die enkele schrijvers geven bij het boek blijkt dat in ieder geval zij zich helemaal kunnen vinden in de vele antwoorden die in het boek worden gegeven. Jessica Durlacher: ‘Ontroerende onzin’ is wat al deze mensen ondanks alles bindt en kwelt. Deze rake, onsentimentele interviews laten weinig illusies heel over de eenvormigheid van de groep met de naam die hen definieert: joden.’  Robert Vuijsje: ‘Nog nooit werd door andere mensen zo goed uitgelegd waarom ik me joods voel.’ 

 

 

 Referenties:

-Koos van Weringh, Een Puur verteller, Dagblad Trouw 8-12-1978

-Leonie Breebaart, Maar wat is dat dan, Joods zijn? N.a.v het boek ‘Ontroerende onzin’ van Ronit Palache. Dagblad Trouw 8-12-2016

-Verschillende websites over I.B. Singer

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *