Woensdag 5 juli 2017: Op donderdag 5 juli 2012 overleed Gerrit Jan Komrij.

Gerrit Komrij wed geboren in Winterswijk op 30 maart 1944 en overleed te Amsterdam op 5 juli 2012. Hij werd dus 68 jaar.

Hij was dichter, schrijver, vertaler criticus en toneelschrijver. Ook werd hij de eerste ‘Dichter des Vaderlands’ terwijl hij eigenlijk als tweede stond. Rutger Kopland kreeg de meeste stemmen maar hij bedankte voor de eer vanwege het vele werk dat dit met zich mee zou brengen. Gerrit Komrij was min of meer bekend bij het grote publiek omdat hij regelmatig te verscheen op de TV. Hij mengde zich natuurlijk veelmeer in de discussies die werden gevoerd via de literaire tijdschriften en kranten.

Zijn stem herkende je direct niet allen vanwege de toonhoogte maar ook door zijn uniek en kleurrijk taalgebruik. In zijn gedichten staat de vrijheid van het gebruik van de Nederlandse taal voorop. Soms hoorde je zijn typische stemgeluid terwijl je een van zijn gedichten aan het lezen was.

Gerrit Komrij volgde het gymnasium in zijn woonplaats Winterswijk en was toen al actief met het schijven van gedichten en ander proza voor de schoolkrant. Zijn pseudo-debuut,-zoals hij dat noemde – als dichter is ooit uitgegeven door een drukker in zijn woonplaats in 1963 en bestond uit vier gedichten. Zijn ‘echte’ debuut vond plaats in 1968 met de bundel ‘Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten’.

Komrij werd zeer belend door zijn bloemlezingen. In 1979 begon hij aan een bloemlezing Nederlandse poëzie die uiteindelijk zou leiden tot drie delen. In 1979 publiceerde hij ‘De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in duizend en enige gedichten’ en daarop volgde in 1986 ‘De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten’. Een derde deel kwam uit in 1994 met als titel: ‘De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in duizend en enige gedichten’. Naast genoemde grote bloemlezingen had hij al in een eerder stadium bloemlezingen gemaakt met gedichten over moeders en een ander over gedichten uit de Romantiek. Hij verzamelde ook van individuele dichters de meest belangrijkste poëzie zoals uit het werk van Johan Andreas Dèr Mouw, Jacob Israel de Haan, Hans Warren en Ida Gerhardt. De groet bloemlezingen werden niet altijd zonder kritiek ontvangen en dan met name door dichters die vonden dat zij niet of te weinig werden geciteerd. Veel opschudding die eigenlijk niet ging over poëzie maar alleen over persoonlijke tegenstrijdigheden. Het zorgde wel voor veel aandacht en publiciteit.

Zoals blijkt was zijn werk zeer veelzijdig. Hij schreef ook kunsthistorische studies en vooral veel eigen toneelstukken en toneel vertalingen van bijvoorbeeld Shakespeare en Molière. Daarnaast was hij (een gevreesd) criticus voor verschillende dag en weekbladen en dan is hij ook nog een periode TV recescent geweest. Hij publiceerde in de Volkskrant, NRC en Vrij Nederland m.b.t de hier voorgenoemde activiteiten. In 1977 bundelde hij zijn TV-kritieken

In NRC Handelsblad publiceerde Komrij jarenlang op woensdag de rubriek “Een en ander”, waarin alle onderwerpen ter sprake konden komen. Hij vertelde eens dat al die verschillende activiteiten niet betekende dat hij niet kon kiezen. Integendeel je leert van al die verschillende genres en kan het geleerde ook weer opnieuw inzetten.

Het autobiografische werk (Verwoest Arcadia (1980)) over zijn jeugd in Winterswijk tot aan zijn studentenjaren in Amsterdam focusseert zich op de verhouding van de hoofdpersoon Jacob tot jongens en bepaalde boeken. Het gedicht ‘Alles blijft’ past hier heel goed bij:

Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.

Uit: Alle gedichten tot gisteren (1999)

Gerrit Komrij won talrijke literaire prijzen en ontving op 8 februari 2000 een eredoctoraat van de Universiteit Leiden, dat hem werd uitgereikt in de Pieterskerk. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag organiseerde het Letterkundig Museum in 2004 een special tentoonstelling.

In 2009 verscheen de opvallende uitgave ‘Dansen op Spijkers’. Dit is een cd en boek, gemaakt in samenwerking met de Nederlandse componist Louis Gauthier (1981), waarop een deel van Komrij ‘s oeuvre te beluisteren is als liederen

Vanaf zijn debuut in 1968 hebben de gedichten van Gerrit Komrij in de belangstelling gestaan, vaak ook bij het groet publiek. Maar er was regelmatig wat reuring vaak geïnitieerd door critici en collega’s. De meningen over de opgeworpen kritiek liepen vaak ver uiteen. Misschien is dat niet zo vreemd voor een auteur die zelf een fel polemicus was. Het gaat er soms turbulent aan toe in zijn poëzie. Van bundel tot bundel maakte de poëzie van Komrij een ontwikkeling door van ironie naar elegie. Sterk uiteenlopende gebieden die niet altijd werden gewaardeerd.

Een fundamenteel uitgangspunt is voor Komrij de vrijheid van de dichter om zich nergens op vast te leggen. Komrij ‘s poëtica is autonomistisch: het gedicht schept een eigen, talige werkelijkheid. Het scheppingsproces vereist veel concentratie en is een langdurig proces. ‘Stijl is de hardnekkigheid waarmee je taal kneedt tot ‘n architectonisch juweel,’ aldus Komrij. Gaandeweg het ontstaansproces leggen poëtische wetten als metrum, rijm, klank de dichter beperkingen op en dwingen zo het gedicht een bepaalde kant op. Van bundel tot bundel maakte de poëzie van Komrij een ontwikkeling door.

Komrij schreef ook eens het Groot Dictee der Nederlandse Taal en trad op als verteller, en schrijver, in het theaterstuk ‘De zeven zonden van Jeroen Bosch samen met het Nederlandse de oude muziek ensemble Camerata Trajectina.

Gerrit Komrij overleed na een kort ziekbed in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Op 20 september 2012 verscheen postuum de dichtbundel getiteld ‘Boemerang en Andere Gedichten’, Volgens zijn uitgeverij lag deze al min of meer klaar op het bureau van Komrij.

Twee gedichten met ongeveer 30 jaar daar tussen laten het dichterschap van Komrij naar mijn smaak geod zien.

Zondagskind

Anderen knippen met hun vingers, zie:
Er valt vanzelf een wonder uit hun hand.
Ik zwoeg gestaag, verbrand mijn energie,
Maar wat ik opdelf is wat grint en zand.

Anderen eten graag, ik kauw met pijn.
Fazant! en ik verslik met in een luis.
De hele kosmos smaakt ze zoet, op mijn
Verhemelte proef ik slechts as en gruis.

Anderen hebben ritme, ik loop mank.
Ze ademen, mijn hals hangt in een strop.
Ze geuren, ik verspreid een helse stank.
Toch kan ik mijn geluk bijna niet op.
——————————————-
uit: ‘De os op de klokkentoren’, 1981.

Paniek

Dan zie je dichters wijze dingen schrijven
Over de dood, de Ander en meer kwalen,
Over de liefde en dat soort spookverhalen –
Maar niets daarvan komt bij jou bovendrijven.

Misschien is daar die schim van onderlijven
Of trekt een lichte geur van slijm voorbij –
Maar daar lijkt het dan toch wel bij te blijven.
Er komt geen geest uit al die vodden vrij.

Ik zal de staat van filosoof nooit halen
Geen draden worden aan elkaar geknoopt
En er ontstaat uit zoveel noodsignalen
Geen levensles. O muis die trappenloopt.
————————-
uit: ‘Boemerang’, 2012.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *