Woensdag 22 februari 2017: Op 22 februari 2014 overleed dichter Leo Vroman

 

Leo Vroman is geboren op 10 april 1915 in Gouda en overleed op 22 februari 2014, in Fort Worth, Texas, USA. Hij werd 98 jaar en beschouwde zich allereerst als wetenschapper (bioloog / hematoloog) en werkte tot hoge leeftijd nog aan zijn onderzoek.

Naast dichter en wetenschapper kon Leo Vroman zeer goed tekenen en schilderen. Zelf beschouwde hij zich allereerst als wetenschapper. Hij promoveerde in 1958 aan de Universiteit van Utrecht en werkte sinds 1947 al in de Verenigde Staten. Hij was bioloog en zijn specialisme was de hematologie. Zowel in de VS als in Nederland ontving hij voor zijn wetenschappelijk werk zeer veel waardering. In zijn vakgebied is zijn naam vereeuwigd in het z.g. ”Vroman effect” de herkenning en opsporing van bepaalde bloedstollingsverschijnselen.

In Nederland kennen we Vroman meer als dichter en schreef tientallen gedichtenbundels. In 1964 ontving hij de P.C. Hooftprijs.

Vandaag, drie jaar na zijn overlijden, vraag ik aandacht voor het gedicht: Vrede: Dat werd gepubliceerd in 1957 in zijn bundel : Uit slaapwandelen
(Uitgever: Querido, Amsterdam). Het gedicht is zeer bekend en dat komt met name door de laatste regels: ‘Kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen / en herhaal ze honderd malen / alle malen zal ik wenen.’

 Vrede

Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond

vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.

Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’.

Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilte voeten,
dat we, eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillen in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.

Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
at ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door een huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwlange stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes opheft.

Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *