Woensdag 21 juni 2017: Op zondag 21 juni 1925 overleed de dichter Jan Hendrik (J.H.) Leopold

J.H. Leopold, was dichter, leraar en classicus. Geboren in ‘s-Hertogenbosch 11-5-1865 –en overleden op 60 jarige leeftijd in Rotterdam op 21-6-1925 . Hij was een zoon van Martinus Leopold, (leraar), en Anna Elizabet Plaat. H.J. Leopold is nooit getrouwd geweest.

Leopold was afkomstig uit een literair milieu: verscheidene familieleden hadden zich beziggehouden met de schone letteren en zijn vader (leraar) maakte daarop geen uitzondering. Na wat omzwervingen kwam de familie uiteindelijk terecht in Arnhem en daar ging Jan Hendrik naar de lagere school en het gymnasium, waarna hij zich in 1883 liet inschrijven als student in de klassieke letteren te Leiden. In 1889 behaalde hij cum laude zijn doctoraal examen in 1889 en 1892, eveneens cum laude, zijn promotie. Hij had een paar ongelukkig liefdes en mogelijk was dat de oorzaak waarom hij zijn verder leven ongehuwd is gebleven. Hij is tot bijna zijn dood leraar geweest eerst in Deventer en daarna (1891) in Rotterdam.

Hij studeerde veel en was zeer geïnteresseerd in filosofie en ander wetenschappen. Schreef studies over Spinoza alsmede een tweetal boekjes met vertaling van Stoïsche wijsheid (Rotterdam, 1904). Hij was een liefhebber van Muziek en kon in zijn vrienden kring genieten van componisten zoals Schubert, Beethoven of Tsjaikovski. Hij speelde zèlf piano en hield van quatre-mains spelen.

In 1893 debuteerde hij in De Nieuwe Gids met de ‘Zes Christus-verzen’. In volgende jaren kwamen meer gedichten, maar tot een bundeling kwam het pas in 1912, toen P.C. Boutens, uiteindelijk zonder instemming van de dichter, diens Verzen uitgaf. Onvrede met die uitgave bracht Leopold er toe, het volgend jaar zelf een uitgave te verzorgen. Behalve wat kleinere werken als Cheops (1916) en Oostersch (‘s-Gravenhage, 1924) verscheen er tijdens zijn leven vrijwel geen werk meer; Eerst de uitgave door P.N. van Eyck van de Verzamelde Verzen (Rotterdam, 1935) openbaarde de ‘rijkdom van het onvoltooide’. Honderden vaak slechts ten dele complete verzen die nooit waren uitgewerkt waarvan de kenners beweerden dat ze zeker gepubliceerd moesten worden. Deze gedichten laten duidelijk zien hoe uitgebreid en gedetailleerd Leopolds werkmethode was. Hij probeerde alles om rijke werkelijkheid in subtiel taalgebruik te vangen.

Sommige critici stellen dat zijn werk verwant is met de Tachtigers en andere beweren dat er duidelijk kenmerken van Gorter aanwezig zijn. Heel duidelijk is dat Leopold een gevoelig mens was die zich kwetsbaar toont: ‘een hart, dat sprak; een mond, die niet kon spreken’. IN zijn werk ontmoet je de worsteling om zelfbehoud, het geluksverlangen en de eenzaamheid. Anderen proberen zijn werk te plaatsen onder de noemer van het uit Frankrijk komende symbolisme. Een stroming in de beeldende kunst, muziek en literatuur die als reactie ontstond na de dominante periode waarbij realisme en naturalisme de hoofdrol speelden. Het symbolisme kenmerkt zich door een sterke hang naar het verleden en een gerichtheid op het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. Verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie zijn gangbare kenmerken van deze fase in de kunst. Of dit exact van toepassing is op de poëzie die Leopold geschreven heeft is een vaak gestelde vraag waarop ik zeker geen antwoord kan geven.

Het beste is zijn gedichten te lezen los van welke indeling dan ook en proberen te verstaan wat de dichter wil zeggen. Een van zijn bekendste en mooiste liefdesgedichten heeft als titel: ‘O nachten van gedragene extase’ .

O nachten van gedragene extase
en diep gedronkene verzadiging,
als elk met zijn geluk te rade ging
en van alleenzijn langzaam wij genazen.

Te denken de ononderbroken uren
aan de volkomen overvloed van dit
verwezenlijkte; onvervreemd bezit,
dat blijven zal en ongeschonden duren 

het onbesefbare van deze gave
van eene andere en die naast ons was
ter vereenzelviging en zelve pas
het inzicht vond van banden, die begaven.

Te hooren naar de rustig ingezogen
teugen des ademens en het geruisch,
dat op en af het geheimzinnig huis
doorstroomde, in een eb en vloed bewogen.

En innerlijker naar den drift te hooren
van de verborgen donkre harteklop,
de wortelstok des levens; wat look op
en wat werd in den arbeidsnacht geboren?

En eindelijk het nauw te speuren zweven
van de twee wimpers, van de wonderlicht
bewerktuigde, die werden slank gezwicht
en dan oneindig sleepende geheven;

Daarnaast publiceerde Leopold artikelen in de krant over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals hij in de krant over onder meer Honoré de Balzac en Ludwig van Beethoven. Leopold was een fanatiek muziekliefhebber die graag concerten bezocht en piano speelde; bij beide activiteiten betrok hij ook weleens een (oud-)leerling. Ook was hij een enthousiast bergbeklimmer en schaatser. Helaas nam naarmate hij ouder werd zijn doofheid toe. Dat werkte een nog grotere eenzaamheid in zijn leven Een echte symbolische dichter probeert in zijn gedichten uitzicht te bieden op een hogere wereld, een pretentie die bij Leopold niet waargemaakt wordt. Daarom wordt hij wel een ‘dissidente’ symbolist genoemd

In 1908 bereikte hij het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke vakpublicaties met de verschijning bij de Clarendon Press te Oxford van zijn Marcus Aurelius-editie. Deze uitgave, die meerdere malen herdrukt werd, stond internationaal in hoog aanzien

Leopold was een geliefde leraar en onderhield met enkele (oud-)leerlingen vriendschapsbanden, bijvoorbeeld met J.Sj. Brouwer, die in de periode 1914-1917 nauw bevriend met de dichter was. Brouwer bezocht de dichter elke maandagavond van zeven uur tot half elf, waarna ze samen uitgingen, na de hele avond te hebben besteed met praten en musiceren.Onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen verscheen een historisch-kritische editie in drie delen, samen in zeven banden over het gehele werk van J.H. Leopold, die ook wel, na Vondel de grote dichter van Nederland wordt genoemd.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *