Van 4 en 5 mei 2016: Breekbare dagen van herdenken en vieren

In Nederland herdenken we op 4 mei onze oorlogsslachtoffers; op 5 mei vieren we de vrijheid. Op die dagen mag iedereen denken en beleven wat hij/zij goed acht. Schermafbeelding 2016-04-29 om 17.30.48Breekbare dagen is de titel van een boek dat in woord en beeld laat zien hoe wij sinds 1945 onze doden herdenken en de bevrijding en vrijheid vieren.  Herdenken en vieren ligt door de keuze van 4 en 5 mei dicht bij elkaar. Het onderstaand verhaal publiceer ik daarom een paar dagen voor 4/5 mei omdat het misschien noch tot de ene noch tot de andere datum behoort. Persoonlijk weet ik dat het  korte verhaal ‘Brood der jonge jaren” niet geschreven had kunnen worden zonder WO II.  Ik schreef het verhaal n.a.v een waar gebeurd voorval aan het begin van 1945.

Het brood der jonge jaren.

Mijn vriend vindt herinneringen niet zo belangrijk. Zijn levensmotto is ‘Leven in het heden en werken aan de toekomst’. Als ik hem vraag naar bepaalde gebeurtenissen zegt hij steevast: ‘Herinneringen, daar heb ik niet veel mee’ en vervolgt dan onmiddellijk met: ‘Bovendien zijn ze vaak niet eens van jou’. Ik kende die zin die me altijd aan het twijfelen bracht. Ook zag ik altijd weer die blik op zijn gezicht die in het geheim enige ruimte voor twijfel toeliet. Want wat weet je na zoveel jaren nog over de feiten van toen? Wat zijn de herinneringen waard van iets dat plaatsvond meer dan 70 jaar geleden? Hoeveel kranten, familieverhalen en boeken hebben daar invloed opgehad? Zó dat de werkelijkheid nog amper zichtbaar is.

Nieuwsgierig zei hij: ‘Nu, kom maar op met je verhaal!’, alsof hij niet wist wat ik wilde vertellen. Weifelend en langzaam begon ik mijn herinnering in te leiden en aarzelend vervolgde ik iets sneller met ‘Ik weet het bijna zeker, het was eind 1944 en wij woonden dus in Amsterdam aan de rand van de stad. Om precies te zijn in de Zaanstraat vlak bij de Spaarndammerdijk en de Houthavens.’ Ons huis stond parallel aan de spoorlijn Amsterdam – Zaandam en we woonden op drie hoog. ‘Vaak,’ vervolgde ik, ‘kwamen daar ontelbare goederentreinen langs, getrokken door stampende locomotieven. Ze zaten vol met kolen en volgens onze buurman ook met oorlogstuig op weg naar de munitiefabriek Hemweg, aan het Noordzee kanaal. Dikwijls stond ik, samen met mijn oudere broers, te kijken bij de spoorovergang op de Spaarndammerdijk die dan voor een tijdje de doorgang naar Sloterdijk afsloot. In het seinwachter huis V, vlak bij de NS remise, kon je de man van de Spoorwegen zien staan met zijn pet schuin op z’n hoofd. Naast hem stond dan meestal een Duitse militair. Volgens mijn broers had de militair altijd zijn geweer in de aanslag. Ik vond dat erg spannend.

In die buurt had je natuurlijk ook de oliehavens, en het Noordzeekanaal en bovendien hadden de Duisters niet ver bij het kanaal een Flakgeschut opgesteld met een zoeklicht. Mijn broers wisten dan te vertellen dat ze ‘s avonds heel laat uit het kleine zolderraam vaak het licht zagen bewegen op zoek naar Engelse vliegtuigen die op weg waren naar huis. Ik wilde dat ook wel eens zien maar ‘daar ben je veel te klein voor’ spraken mijn familieleden met enige autoriteit, tenslotte waren ze allemaal ouder. Ons woongebied was kennelijk strategisch van belang want er waren een flink aantal Duitse militairen gelegerd in een leegstaande school in de buurt. Ik zag hen vaak marcheren door de straat richting de dijk en probeerde hen dan bij te houden. Dat was ten strengste verboden, zei mijn moeder altijd. Ik wist wel waarom ik dat graag deed omdat ze ook heel mooi konden zingen. Sneller en vrolijker dan wat wij zondags in de kerk lieten horen. Als ik thuis weer eens enthousiast vertelde over die mannen dan merkte ik wel dat mijn ouders mijn plezier niet deelden. Ze begonnen dan verhalen te vertellen waarvan ik niets begreep. Als mijn moeder hoorde dat er weer een groep door de straten kwam dan werd ik direct binnen gehaald.

Op zekere dag ontsnapte ik ons huis en huppelde weer een eindje mee. Aan de dijk hield de groep stil en viel uiteen in kleine groepjes die lachend en pratend hun weg vervolgden. Plotseling kwam er een grote soldaat op me aflopen die een half wittebrood in mijn handen duwde. De militair zei iets onverstaanbaars en lachte een beetje. Met zijn leren handschoen streek hij ook nog door mijn haar. Stijf van de schrik en met mijn rijkdom tegen de borst rende ik naar huis. Nu ik dit verhaal weer vertel komt de speciale geur van die handschoen naar boven. Ik heb nog nooit zo snel alle trappen omhoog gerend om het brood aan mijn moeder te geven. Buiten adem legde ik trots het brood op het aanrecht en vertelde hortend en stotend het verhaal van die aardige man. Mijn moeder sprak me met stemverheffing toe en kneep stevig, met haar natte hand, in mijn bovenarm. ‘Je mag nooit, hoor je, nooit meer iets van die Duitsers aannemen’. ‘Hoor je me!’ galmde het in mijn oor en ‘Je blijft voortaan altijd binnen als ze in de straat zijn!’. ‘s Avonds kreeg ik een tweede preek van mijn vader die besloot met te zeggen dat de volgende dag het brood moest worden teruggebracht.’

‘En?,’ vroeg mijn vriend, ‘heb je het brood ooit teruggebracht?’ Gelukkig kon ik het me niet meer herinneren. Om het te bevestigen schudde ik heftig mijn hoofd terwijl ik mijn vriend hulpeloos aankeek. ‘O ja’, zei ik stellig, ‘ik weet wel zeker dat ik het niet heb teruggebracht.’

Later, veel later, probeerde ik het antwoord te vinden op de vraag wat er fout is aan het aannemen van een halfje wit in een tijd dat je honger hebt. Mijn vriend wist direct het antwoord en heel simpel zei hij: ‘Als je dood bent kan je niet aan de toekomst werken’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *