Donderdag 20 april 2017: Martinus Nijhoff werd op vrijdag 20 april 1894 geboren.

Martinus Nijhoff werd in Den Haag geboren als zoon van de uitgever Wouter Nijhoff en Johanna Alida Seijn. Zijn grootvader Martinus Nijhoff was de stichter van de Haagse uitgeverij Nijhoff en een van de oprichters van het liberale dagblad Het Vaderland.

Hij overleed op 58jarige leeftijd op 26 januari 1953 in Den Haag. Hij studeerde rechten in Amsterdam, later ook letteren aan de Universiteit Utrecht. In 1914 en 1915 was hij redacteur van het studentenblad Propria Cures. Van 1926 tot na de Tweede Wereldoorlog maakte hij enkele malen deel uit van de redactie van De Gids. Ook werkte hij lange tijd als criticus bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant..

Naast dichter was hij ook een vermaard vertaler van gedichten en toneelstukken. In 1953 werd de Martinus Nijhoff Prijs ingesteld, die jaarlijks wordt toegekend voor vertaalwerk in en uit het Nederlands. In 1953 (het jaar waarin hij overleed) ontving hij postuum de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Zijn debuut als dichter vond plaats in 1916, toen de bundel De wandelaar verscheen. In 1924 publiceerde hij Vormen. In romantische verzen uitte hij zijn gevoelens van angst, eenzaamheid en het verlangen naar ongerept kind zijn. Hij deed dat gewoonlijk in toegankelijk Nederlands.

In de verhalende gedichten Awater (uit Nieuwe Gedichten, 1934) en Het uur U (1936/37) weet hij op bijzondere wijze het mysterie achter alledaagse dingen en gebeurtenissen te beschrijven. Hij gebruikte een stijl die steeds meer neigt naar spreektaal. Nijhoff vond taal en het woord zeer belangrijk. Hij stelde daarom ook dat belangrijke gebeurtenissen van een land en volk moeten worden gemarkeerd door het woord zoals een gedicht. (Mogelijk een aanzet voor een het latere fenomeen ‘Dichter des Vaderlands”).

Door de voorkeur van Nijhoff voor de sonnetvorm lijkt hij een traditionele dichter, maar toch is hij eerder modern mede door het gebruik van gewone woorden. Zijn gedicht De moeder de vrouw toont een goed voorbeeld van spreektaal in strakke sonnetvorm.

De moeder de vrouw

 Ik ging naar Bommel om de brug te zien.

Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden

Die elkaar vroeger schenen te vermijden,

Worden weer buren. Een minuut of tien

Dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,

Mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –

Laat mij daar midden uit de oneindigheid

Een stem vernemen dat mijn oren klonken.

 

Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer

Kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.

Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,

 

En wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.

O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.

Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren

 

De eerste regel uit dit gedicht is mogelijk bekendste regel: “Ik ging naar Bommel om de brug te zien”. Het roept het beeld op van een psalm zingende vrouw op een schip die bij de ik-figuur in het gedicht een verlangen oproept naar zijn moeder.

De Waalbrug bij Zaltbommel uit 1933, die in het gedicht voorkomt, werd in 1996 vervangen door een nieuwe brug die Martinus Nijhoffbrug werd genoemd.

 

Ook was Nijhoff een voorstander van het idee dat het gedicht een autonome verbeelding is en dus los staat van de dichter. Dat leverde hem pittige discussie op met de gesettelde dichters van het tijdschrift Forum zoals Menno ter Braak en E. du Perron. Nijhoff werd hierdoor in de groep getrokken waartoe ook de dichters Hendrik Marsman en Paul van Ostaijen toe werden gerekend. In Nijhoffs poëzie komen naast motieven als moeder, het kind, de soldaat ook christelijke motieven  voor.

Ik besluit met een mooi gedicht van onze dichter die vandaag 123 jaar gelden werd geboren:

Haar laatste brief

Verwijt mij niet dat ik lichtzinnig was

omdat ik liefgehad heb zonder trouw

en zonder tranen heenging. Want een vrouw

komt nooit, als zij bij voorbaat niet genas,

de wond te boven ener tederheid

 

Zeg zacht mijn naam, en ik ben in ‘t vertrek:

de bloemen staan weer in de vensterbank,

de borden in het witte keukenrek.

 

Want meer van mij bevindt zich in die klank

dan in de jeugd waarom je van mij houdt,

mijn bijna-jongensborst, mijn haar van goud.

die op toekomstig leven is gericht.

Ik moest mij wel hernemen voor een plicht

waartoe ik onbemerkt ben voorbereid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *