Donderdag 16 maart 2017: Pieter Corneliszoon Hooft werd op dinsdag 16 maart 1581 in Amsterdam geboren.

De Nederlandse dichter, P.C. Hooft stierf op 66-jarige leeftijd in Den Haag op 21 mei 1647 en werd op 16 maart 1581 in Amsterdam geboren. Hij groeide op in een rijk, protestants koopmansgezin. Zijn vader, ooit een van de burgemeesters van Amsterdam, was een overtuigd humanist. Als burgemeester bestuurde hij de stad met oog voor de belangen van de burgers. Hooft junior nam zijn vaders idealen over. Hij was intelligent en leergierig en ging na de Latijnse school rechten studeren in Leiden. Hij werd drost (bestuursambtenaar) van Muiden.

Pieter Corneliszoon Hooft is na Joost van den Vondel (1587-1679) de beroemdste Nederlandse dichter uit de Gouden Eeuw. Naast gedichten schreef hij ook toneelstukken en historische werken. Hij was een toonaangevende dichter die in het eerste kwart van de zeventiende eeuw modelwerken schreef waaraan andere literatoren zich konden optrekken

Tijdens zijn buitenlandse reis maakte hij intensief kennis met de renaissance en werd hij nog enthousiaster over de ‘wedergeboorte’ van kunst en cultuur. Daar moest Nederland een voorbeeld aan nemen! Terug in Amsterdam legde hij zich toe op modernisering van de Nederlandse literatuur. De bekende literatuurcriticus Kees Fens (1929-2008) noemde hem ‘de eerste moderne dichter’ in de Nederlandse taal. Na terugkomst van zijn buitenlandse reis sloot hij in 1606 zijn rechtenstudie af en beleefde enkele amoureuze avonturen voordat hij op 30 november 1610 zijn eerste echtgenote, Christina van Erp huwde. Nadat Christina was overladen in 1624 was overleden trad hij in 1627 opnieuw in het huwelijk, met de tweeëndertigjarige weduwe Heleonora Hellemans uit Antwerpen een nieuwe echtgenote gevonden, met wie hij op 30 november trouwde.

Ongeveer vanaf die tijd gaf hij al zijn aandacht aan zijn bestuurlijke taken en het schrijven van de “Nederlandse Historien”. Hooft werkte aan dit monumentale werk in de periode 1628 tot aan zijn overlijden(1647) . Het is een monumentaal historisch werk over de geschiedenis van de Nederlandse opstand tegen de koning van Spanje.

De Muiderkring. Op het Muiderslot ontving Hooft regelmatig kunstzinnige vrienden. Het Muiderslot was het middelpunt van ‘een geheel open, gastvrij aangenaam gezelligheidsleven op hoog artistiek peil met wisselende gasten. Allerlei vooraanstaande figuren, evengoed dichters als staatslieden, zangeressen en jonge vereerders van de grote dichters, ontmoetten hier elkaar, men maakte muziek, men zong, men droeg er zijn gedichten of zijn toneelstukken voor, en als de gasten huiswaarts waren gekeerd, correspondeerde men met elkaar, in proza of versvorm. Tot de kern van Hoofts vriendenkring mogen o.a. gerekend worden: Tesselschade, Huygens, Barlaeus, Vossius. Oorspronkelijk behoorde ook Vondel tot de vriendenkring van Hooft maar Vondels intense geloofsbeleving en het streven naar een oecumenische kerk, deden hem op latere leeftijd nog overgaan van de doopsgezinde gemeente naar de rooms-katholieke kerk. Deze ommekeer – en zijn strijdlust als het ging om politieke idealen – werden hem niet door iedereen in dank afgenomen en kostte hem de erfenis van zijn moeder en ook de vriendschap met Pieter.

Liefdesgedichten in sonnetvorm. Sinds het ontstaan van het sonnet tijdens de Italiaanse renaissance gebruikte men deze dichtvorm eeuwenlang vrijwel uitsluitend voor liefdesgedichten. Hooft was een liefhebber van deze dichtvorm. Een van Hoofts beroemde liefdesgedichten is “Gezwinde Grijsaard”.

GEZWINDE GRIJSAARD

Gezwinde grijsaard die op wakk’re wieken staag
de dunne lucht doorsnijdt, en zonder zeil te strijken
altijd vaart voor de wind, en ieder na laat kijken,
doodsvijand van de rust, die woelt bij nacht bij daag;

onachterhaalb’re Tijd, wiens hete honger graag
verslokt, verslindt, verteert al wat er sterk mag lijken,
en keert en wendt en stort staten en koninkrijken,
voor iedereen te snel: hoe valt gij mij zo traag?

Mijn lief, sinds ik u mis, verdrijf ik met mishagen
de schoorvoetige tijd, en tob de lange dagen
met arbeid avondwaards. Uw afzijn valt te bang

en mijn verlangen kan den Tijdgod niet bewegen,
maar ’t schijnt verlangen daar zijn naam van heeft gekregen,
dat ik de tijd, die ik verkorten wil, verlang.
(P.C. Hooft, 2012, De gedichten, Amsterdam: Atheneum – Polak & Van Gennep)


 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *