Dinsdag 19 oktober 2016: En alleen is leven leven, Als het tot den dood ontroert.

Vandaag is het negen jaar geleden (19-10-2007) dat Jan Wolkers overleed

Tijdens onze uitgebreide reis door Japan in 2007 gebeurde er van alles zowel in Japan als daarbuiten. Over allerlei onderwerpen die zich aandiende, bijzonder ontmoetingen en de verbazing over het gewone dagelijkse Japanse leven schreef ik een blog voor onze kinderen, familie en vrienden. Op 18 oktober  2007 – nu 9 jaar geleden –  zaten we in de Shinkansen (de hogesnelheidstrein die met meer dan 300 km/uur zeer comfortabel door Japan raast) van het noordelijk liggende Sendai een kleine 500 km in zuidelijke richting Odawara.

schermafbeelding-2016-09-29-om-02-12-37Vandaar reisde we met een lokale trein naar Hakone een schitterend natuurgebied met meren, bergen en mooie wandel routes. In Hakone sliepen we in een Rayokan. Dat is een typisch Japans hotel waar men veel aandacht besteed aan de ligging, de Japanse keuken en de overnachting mogelijkheden zoals het slapen op tatami en natuurlijk het Japanse bad. Nog maar net gearriveerd kregen we een berichtje van onze dochter Ilse, waarin ze vertelde dat Jan Wolkers was overleden. Die boodschap zorgde er voor dat de fabelachtige omgeving een beetje onzichtbaar werd. s’Avonds schreef ik spontaan het verhaal hoe die boodschap bij mij binnen kwam en het merendeel neem ik hier, negen jaar later – in deze bijdrage over.

onsen
Typische aanblik van een Japans hotel (Rayokan)

Bij de dood van Jan Wolkers. Ik wist dat hij oud was en dat hij tobde met zijn gezondheid. Maar geestelijk was hij toch nog steeds de vitale man die altijd met de nodige humor en onverwachte directheid op veel vragen een antwoord had. Maar Jan Wolkers had geen antwoord op de dood en dat wist hij maar al te goed. Ik had hem wel eens in een radio-interview gehoord over het beroemde gedicht van P.C. Boutens (1870-1943) waarvan hij toen speciaal het laatste vers citeerde:

Alle schoon dat de aard kan geven, Blijkt een pad dat tot u voert,

En alleen is leven leven, Als het tot den dood ontroert.

Ook dit citaat maakt duidelijk hoe vitaal hij was en hoe ons altijd wilde ontroeren met zijn proza, poëzie en zijn beeldhouwwerken. Jan Wolkers was ook de man die altijd met de nodige humor en onverwachte opmerkingen op veel vragen een antwoord had en veelal kwam met rake typeringen. Hij was wel de persoon die er voor gezorgd heeft dat ik indertijd door het lezen van zijn boeken (en m.n. het in 1969 verschenen Turks fruit) anders ben gaan denken over geloof, christendom en kerk. Hij zorgde voor oproer en opwinding met zijn schrijverij. Hij was het nieuwe geluid waarvan je schoorvoetend de nieuwe boeken kocht. Vandaar toch de schrik reactie na het bericht van zijn overlijden. Hij was de schrijver die zich ontworstelde aan de beklemmende sfeer die het geloof en de kerk neerlegde. Deed dat op een onconventionele manier scherp en direct maar via schitterende beschrijvingen van het z.g. christelijke levensgevoel. Hij had natuurlijk meer impact dan Maarten Hart (die ik ook niet uitvlak als het gaat om wiggen drijven tussen kerk en samenleving). Alhoewel ze dezelfde achtergrond hadden manifesteerde ze zich op een totaal andere manier. Wolkers was de krachtige, vitale en wat rauwe schrijver terwijl Maarten ‘t Hart dat op een masserende manier aanpakte. Bovendien was Wolkers een echt dubbeltalent die naast schrijven van proza en poëzie ook nog zeer indrukwekkende beeldende kunst heeft gemaakt. Maarten ‘t Hart mag dan goed kunnen orgelspelen en alles van klassieke muziek weten maar ik sla dat toch iets anders aan dan de creativiteit van Jan Wolkers. Bovendien, op het atelier van Jan Wolkers klonk veelal Bach. Een flink aantal jaren geleden werd Jan Wolkers geïnterviewd in dagblad Trouw in de serie “de 10 geboden “. Dat was een mooie interview waar hij op een zeer herkenbare manier nog eens zijn worstelingen met het geloof en God uit de doeken deed. Ik heb dat interview in mijn laptop staan en zal een paar fragmenten hier kopiëren. Op de vraag “Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben” was zijn antwoord: ‘God’? God is een soort axioma, een niet bewezen maar als grondslag aanvaarde stelling. Hij bestaat in de harten van mensen. Een God die rekening houdt met dat gedwarrel hier op aarde, dat is natuurlijk een krankzinnige gedachte. Het is je eigen geweten dat spreekt. Ik vond die na-ijverige, wraakzuchtige God over wie mijn vader sprak, een weerzinwekkende verschijning – dat er toch nog zoveel aardige Israëlieten en joden zijn is eigenlijk een wonder. Iemand die gevraagd wordt de zon stil te laten staan opdat de al in elkaar gehakte mensen nog verder afgeslacht kunnen worden – en dat nog doet ook! Wat een ongelooflijke rotzak. En als je niet leefde naar Zijn woord, dan ging je voor eeuwig verloren. Zei mijn vader. God is ook een constructie voor eeuwigheid. Het is kennelijk heel moeilijk voor de mens het Bijbelvers ‘want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’ in uiterste consequentie te aanvaarden. Voor mij niet, nee. Ik vond het andere – die eeuwigheid – juist zo absurd. Al die beenderen, al dat stof! Hoe krijgt God de boel straks weer bij elkaar gezocht? ‘Ja’, zeiden ze, ‘daar is ie God voor. Dat is het wonder!’ Ik moest er trouwens niet aan denken, aan die hemel. Als ik in de kerk om me heen keek en al die gereformeerde koppen zag, dacht ik: stel je nou eens voor dat ik straks een plekje naast mevrouw Buisman krijg, dan heb ik eeuwig dat gelul aan mijn hoofd – dát zou pas de hel zijn. Weet je trouwens wat bisschop Muskens laatst tegen mij zei? ‘De hel bestaat wel, maar er zit niemand in.’ Das een goeie, hè?”

monument-tachtigers-001

Het klinkt allemaal misschien een beetje hard maar als je weet hoe hij formuleerde en oprecht worstelde met het geven van een eerlijk antwoord op dit soort vragen dan mag je zijn antwoorden toch rekenen tot een echte ‘getuigenis’.

Op de laatste vraag van interviewer Arjan Visser: ”Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is” kwam hij met het volgende betoog: ,,Ik ben gespeend van jaloezie om aards bezit. Ook competitie en kinnesinne zijn niet aan mij besteed. In tegenstelling tot veel collega’s noem ik altijd de namen van jongere schrijvers zoals Benali en Grunberg. Schrijven heeft voor mij niets met erkenning te maken, ik móet het gewoon doen. Alles wat ik heb gepubliceerd, is uit noodzaak geschreven. Het gekke is: terwijl ik mij nooit met de literatuur bemoei, word ik altijd ingelicht als er weer een prijs moet worden uitgereikt. Toen ze van plan waren om aan mij de P.C. Hooftprijs te geven, belde Martin van Amerongen mij op. Hij zei dat iemand verschrikkelijk te keer was gegaan toen hij hoorde dat ze van plan waren ‘zo’n vieze schrijver’ de prijs te geven. Toen dacht ik: steek die prijs maar in je reet. Ik hoef hem helemaal niet meer. Ik heb ook in België een keer een prijs geweigerd. Dat was voor ‘Terug naar Oegstgeest’. Vestdijk was er ook. Hij kwam naar me toe en zei: ‘Dag meneer Claus’. Die man was zo verschrikkelijk zenuwachtig, dat wil je niet geloven. Uiteindelijk kreeg ik die prijs, maar toen ik zag dat het een ding was dat je nog niet aan een manke, derderangs voetballer zou uitreiken, weigerde ik op te staan om hem in ontvangst te nemen. Het heeft altijd met kwaliteit te maken, niet met roem of eerzucht. Ik denk wel eens: als ik mijn vader in de kruidenierszaak was opgevolgd, had je nu door het hele land bij Jan Wolkers de voordeel-pakken Pampers kunnen kopen. Dat heeft trouwens iets met het geloof te maken: ik ben grootgebracht met de gedachte dat maatschappelijk aanzien er niet toe doet. Het enige dat telt is gedrevenheid. Ja, zelfs in een, afstandelijk bezien, zinloos bestaan. Het is de dood die zin geeft aan het leven. Nee, ik ben er niet bang voor. Zolang ik maar niet maandenlang in een bed hoef te lijden. Ik hoop dat het gebeurt als ik aan het werk ben. Dat Karina binnenkomt met de thee, mij ziet liggen en zegt: ‘Straks is de thee net zo koud als jij’. De dood hoort nu eenmaal bij het leven. Boutens heeft er een mooi gedicht over geschreven, hier het eerste en laatste vers:

‘Goede Dood wiens zuiver pijpen

Door ‘t verstilde leven boort,

Die tot glimlach van begrijpen

Alle jong en schoon bekoort’

 

 ‘Alle schoon dat de aard kan geven

Blijkt een pad dat tot u voert,

En alleen is leven leven

Als het tot den dood ontroert.’

Het interview sloot af met: “Vind je dat niet prachtig?”

Toen ik zijn doodsbericht in 2007 in Jpan ontving hoorde ik direct zijn typische stemgeluid. Vaak een zin afsluitend met ‘mooi hè’. Alhoewel die stem niet meer klinkt is het toch prachtig dat je bij de dood van Jan Wolkers niet aan “dood” moet denken maar meer aan een leven dat ontroerde en nog lang na zal klinken. Dat is toch mooi ‘mooi hè’. Zeker is dat mooi en zelfs ook nog na negen jaar.

379

Jan Hendrik Wolkers (Oegstgeest, 26 oktober 1925- Westermient, 19 oktober2007). Wolkers wordt gerekend tot de beste auteurs in de naoorlogse Nederlandse literatuur, met als bekendste titels de romans Terug naar Oegstgeest (1965) en Turksfruit (1969). Hij weigerde zowel de Constantijn Huygensprijs (toegekend 1982) als de P.C.Hooft-prijs (1989). In weerwil van zijn grote bekendheid als schrijver heeft Wolkers altijd te kennen gegeven dat hij zichzelf in de eerste plaats beeldhouwer voelde.

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *