Zaterdag 20 mei 2017: Gerrit Achterberg werd geboren op zaterdag 20 mei 1905

Gerrit Achterberg werd in 1905 in Nederlangbroek geboren en overleed op 17 januari 1962 in Leusden. Er is bijna geen dichter waarvan zoveel studies zijn verschenen en dat komt niet alleen door het feit dat hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Achterberg was een groot dichter en ontving daarom officiele prijzen zoals de P.C. Hooft-prijs in 1949 als de Constantijn Huygens-prijs in 1959. Achterberg is belangrijk (geweest) voor veel jongere collega’s maar het was ook een mens waaraan veel discutabele kanten aan zaten. Hij stond jarenlang (tot 1955) ter beschikking van de regering (TBS) en verbleef gedurende zijn leven in veel psychiatrische inrichtingen vanwaar hij zeer actief verder werkte aan zijn poëzie en lustig correspondeerde met vrienden en uitgevers. Die bijna allemaal zijn werk karakteriseren met de woorden dood, liefde en mystiek. Hij behoort nog steeds tot de dichters die vandaag de dag nog veel wordt gelezen en er zijn een groot aantal gedichten die voor velen en bijzondere plaats in nemen. Komt dat door het autobiografische karakter van zijn poëzie of is het de heldere taal waarin hij zijn verzen opschreef?

OM aan te geven hoe belangrijk hij was en nog steeds is de uitgeverij Querido in 2003 de dertiende druk uit (de eerste druk verscheen in 1963) van de bundel ‘Verzamelde gedichten’ waarvan tienduizenden exemplaren werden verkocht.

Achterberg werd geboren in een calvinistisch gezin van acht kinderen waarvan hij de tweede zoon was. Zijn vader werkte als koetsier en later als boer en stamde in rechte lijn af van graaf Floris V en Jan Pieter Sweelinck. Zijn moeder was een onecht kind van een adellijk persoon die door Achterberg Baron van Beukelaar genoemd wordt.

Gerrit Achterberg was een uitstekende leerling en blonk uit op school. Dat bracht hem naar de kweekschool (pedagogische academie) in Utrecht (1920) en woonde toen bij familie op kamers. Zijn eerste aanstelling op als onderwijzer kreeg hij in 1924 in Opheusden en was toen 19 jaar. Hij werd door zijn omgeving gekarakteriseerd als een vreemde, in zichzelf gekeerde jongeman, die zich zeker niet paste in de gewoontes van het streng hervormde dorp. In die tijd raakte hij geod bevriend met Arie Jac. Dekker waarmee hij tot diep in de nacht poëzie las. Bijna alles werd gelezen van de toen nog vrijwel onbekende dichters als A. Roland Holst, M. Nijhoff, en J.C. Bloem. Ook begonnen ze zèlf te schrijven en gaven samen de bundel ‘De zangen van twee twintigers’ uit waarvan hij later de gedichten die daarin stonden (ongeveer 20 stuks) later als een jeugdzonde beschouwde.

Als persoon beschouwde men Achterberg steeds meer als een introverte zonderling. In die tijd dreigde hij, met een pistool in de hand, met zelfmoord.

In zijn eerste jaar als onderwijzer kwam ook een oproep voor de militaire dienst, maar die kon hij uitstellen omdat hij begonnen was met zijn studie voor de hoofdakte basis onderwijs. In januari 1927 moest hij alsnog in dienst en een maand later werd hij wegens ‘zielsziekte’ alweer ontslagen.

In het eerste jaar als onderwijzer leerde hij ook Cathrien van Baak kennen, met wie hij verkering kreeg. Na en aantal jaren (1927) ging de verkering uit. Achterberg had al eerder problemen met haar vader gehad, maar toen hij begon te dreigen met doodslag en zelfmoord, was het voor vader en dochter Van Baak genoeg. Achterberg werd steeds eenzamer, zijn obsessie voor het dichterschap groeide, en hij vertoonde soms driftig en verwilderd gedrag.

In de zomer van 1929 kreeg hij verkering met Bep van Zalingen en in augustus verloofde hij zich met haar. Het jaar daarop verhuisde hij naar Den Haag, waar hij weer aan het werk ging als onderwijzer. Hij mengde zich niet in het Haagse kunstenaarsleven. Hij kende niemand en was verlegen. Zijn eerste echte poëziebundel verscheen met de titel “Afvaart” in 1931. Zijn verloving met Bep van Zalingen eindigde in juli 1932.

Daarna ging het steeds  slechter met hem. In november kreeg hij verlof van zijn baan, en werd, op dringend advies van het schoolbestuur, opgenomen in een psychiatrisch-neurologische kliniek in Utrecht. Begin december werd hij ontslagen uit de kliniek met de diagnose psychopathie; hij had moeite zichzelf aan te passen en te reguleren. In het rapport van de dienstdoende psychiater, evenals in latere rapporten en medische dossiers , werd vermeld dat hij vijf als vijfjarig kind enkele dagen in coma had doorgebracht na een val van de trap. Ook was hij als op zijn zestiende van een hooiberg gevallen. Deze feiten werden later aangedragen dat dit wel eens te maken gehad kan hebben met zijn psychische problemen.

In 1934 verruilde hij zijn baan als onderwijzer voor een baan als landbouwcrisisambtenaar in Utrecht in de functie van ambtenaar derde klas. Hij woonde in die tijd op kamers bij zijn hospita Roel van Es (Roeltje van den Berg). Op 15 december 1937 schoot Achterberg de toen 40-jarige vrouw dood en verwondde hij haar 16-jarige dochter Bep in de commotie die was ontstaan nadat hij op zijn kamer getracht had Bep te overweldigen.

Hij meldde zich zelf bij de politie en werd veroordeeld met tbs. Tot augustus 1943 verbleef hij in diverse (forensisch-) psychiatrische inrichtingen. Daarna volgde een periode van resocialisatie die in 1955 definitief werd opgeheven.

Hij produceerde tussen 1939 en 1953 zeker 22 bundels met gedichten. Waarvan hij voor ‘En Jezus schreef in ’t zand’ (1947)’ de P.C. Hooftprijs toegekend kreeg en tien jaar later ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor de bundel “Ballade van de gasfitter “(1953) en zijn hele oeuvre.

In 1946, Achterberg was toen al over de veertig, trouwde hij met zijn jeugdvriendin. En woonde toen in Hoonte een buurtschap valk bij het Gelderse Neede.

De laatste jaren voor zijn dood woonde ze in Leusden waar hij in 1962 aan een hartaanval overleed. Men kan wel stellen dat het leven van Achterberg niet probleemloos is verlopen. Bovendien, blijkt uit recente publicaties, dat hij ook een drankprobleem had en dat werd door zijn bewonderaars en vrienden altijd verzwegen.

Zijn gedrag met vrouwen en de driftbuien en dan het dreigen met de dood en tenslotte de moord zijn allen terug te voeren tot de diagnose psychopathie. Achterberg gedroeg zich netjes, was wat depressief, maar kon zijn eigen situatie niet echt doorgronden. Hij herkende geen persoonlijke schuld maar toonde wel spijt. Dit paste bij zijn toestand. Zo ook schrijft Wim Hazeu in zijn biografie over Achterberg en stelt dat het de ‘andere persoon in Achterberg’ was die door hem handelde. Achterberg zèlf gaf de schuld aan ‘de oude mens’ of ‘een zwarte geest’. Iets waar ik geen verklaring voor heb kunnen vinden.

Hij is zich altijd een slachtoffer van de omstandigheden blijven voelen. En zijn dichterschap bleef voor hem steeds het belangrijkste in zijn leven.

Eerst in de gevangenis en later in de vele verschillende psychische inrichtingen was hij verlost van alle maatschappelijke druk en moeizame relaties met de vrouwen in zijn leven. In dit isolement kon hij het doel van zijn leven, namelijk dichten, beter dan ooit nastreven. Hij zat een half jaar in voorarrest, in die periode las hij veel, op religieuze (de Bijbel en  filosofische (Kierkegaard) literatuur. Behalve zijn familie waren er nog drie mensen die hem veel steun gaven, namelijk Roel Houwink (schrijver en dichter 17 januari – 3 juni) Annie Kuiper (psychiatrisch verpleegkundige) en wijkdominee Gerrit Wijnand Oberman (1889-1967). De laatste was een veelzijdig predikant die ook regelmatig mensen bezocht in gevangenissen. Zo ook leerde hij Gerrit Achterberg kennen. Achterberg was dankbaar voor de bezoeken. Later droeg hij de bundel En Jezus schreef in het zand aan hem op.

In augustus 1943 kwam Achterberg in gezinsverpleging in Eibergen en zag Cathrien van Baak weer regelmatig. Maar verder raakte hij, mede door de oorlog, in een isolement. In 1945 gingen hij met Cathrien van Baak samen bij het gezin Wagenvoorde in Neede wonen. In 1946 vond hij werk als verzamelaar van informatie over dialecten en folklore in de provincie Gelderland voor het bureau van de Dialecten-commissie der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Hij kon dit werk thuis doen. In juni 1946 trouwden Achterberg en Van Baak in alle stilte, en betrokken zij de tweede etage van de (heren) boerderij Mariahoeve in Hoonte.

Uiteindelijk voelde Achterberg zich in Hoonte (Neede) geïsoleerd en het ging minder goed met hem.Toch schreef hij ook daar prachtige verzen zoals:

 

Hoonte

 Vlak voor de ramen staat het boomtheater.

Insecten trekken strepen langs de ruit

en vlinders buit’len om elkanders buit.

Een dikke duif vliegt in de groene krater

 

van bladeren, een duiker onder water,

en komt er aan de andre kant weer uit.

Het leven, tegen dit decor gestuit,

wordt speeltoneel terwijl ik kijk en staat er.

 

Ik heb van de natuur nog nooit genoten

als hier op Hoonte in de Achterhoek.

Mariahoeve heet het hooge huis.

 

Hier krijgt het oogenblik voldoende grootte

en achtergrond, een eeuwig open doek

voor de verbeelding van het paradijs.

 In 1953 verbleef hij weer korte tijd in een psychiatrische inrichting, in Loosduinen. In mei van dat jaar verhuisde hij met Cathrien naar Leusden. Tegen die tijd had hij al meer dan negentig procent van zijn werk geschreven. Er kwamen nog wel bundels uit, maar dan vooral van eerder werk.

In de laatste vijf jaar van zijn leven heeft hij nog maar een paar gedichten geschreven. Hij was waarschijnlijk tot rust gekomen, was in 1955 ook eindelijk van zijn tbs verlost. Misschien beschouwde hij zijn werk als voltooid. Hij kreeg literaire erkenning en had zijn plaats in de Nederlandse poëzie veroverd. ‘Vertalers van naam beproefden hun talent op Achterbergs poëzie’ en ‘componisten als Peter Schat lieten zich door zijn gedichten inspireren; neerlandici als Rein Meijer promoveerden op zijn poëzie; bloemlezingen zonder zijn gedichten werden uitzonderingen’ In 1959 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs. Volgens de psychiaters was zijn driftleven tot rust gekomen en hield de afname van zijn dichterlijke creativiteit daar verband mee.

Hij hield zich tot het laatst van zijn leven bezig met het redigeren van de uitgave van zijn van zijn Verzamelde gedichten, die uiteindelijk postuum verscheen in 1963 Ik wil graag nog twee voorbeelden geven van gedichten die Achterberg schreef en die ook voorkomen uit het werk die met name genoemd worden bij de erkenning van de literaire prijzen.

Als eerste een gedicht uit de sonetten-cyclus Ballade van de gasfitter (1953):

In het eerste couplet uit vers XIV lezen we:

Eindelijk is het kleine lek gedicht.
Ik zoek de spullen langzaam bij elkaar.
Mijn benen zijn als buizen lood zo zwaar.
Zweetdruppels lopen over mijn gezicht.
 

De cycles sluit af met de begrafenis van de gasfitter en lezen dan in het laatste couplet van vers XIV:

Aan ’t graf hield verder iedereen zijn mond.

Men trad vooruit en schouwde critisch hoe

de fitter langzaam wegzonk in de grond,

als om hem nog op fouten te betrappen,

nu hij zijn laatste gat had op te knappen.

Hij rust in God. De aarde dekt hem toe.

 

 Deze bundel is veelvuldig geanalyseerd. Steeds kwam men tot de conclusie dat de het een dichterlijk verslag van Achterbergs weg door de psychiatrie was.

Een tweede voorbeeld haal ik uit zijn bundel En Jezus schreef in ’t zand (1947). Dat is eigenlijk een verzameling gedichten met religieuze onderwerpen. Lees maar:

Triniteit

God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en droogt de tranen van geween.

 Heeft een van beide zich vergist?
Wij zijn een duister phenomeen
zoolang niet in ons leven rijst
het licht van den heiligen geest.

God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en droogt de tranen van geween.

 Heeft een van beide zich vergist?
Wij zijn een duister phenomeen
zoolang niet in ons leven rijst
het licht van den heiligen geest.

Gerrit Achterberg overleed op 17 januari 1962 aan een hartaanval in de auto voor zijn huis in Leusden, nadat hij met Cathrien naar Amsterdam was geweest. Hij wist als geen ander dat de dood het einde is van alles, het brengt een definitieve scheiding aan, die nooit meer ongedaan gemaakt kan worden zoals hij ooit geschreven had:

Alles wordt enkeling. Een eigen graf; wacht op het kerkhof zijn bewoner af

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *