Woensdag 10 mei 2017: De dichter Lucebert overleed op dinsdag 10 mei 1994.

Op 10 mei 1994 overleed dichter/schilder Lucebert op 69-jarige leeftijd in Alkmaar. Hij werd geboren op 15 september 1924 in Amsterdam met zijn echte naam: Lubertus Jacobus Swaanswijk. Zijn artieste naam is ontstaan van het Italiaanse luce, licht en het Germaanse bert, glanzend/licht, dus dubbellicht.

De dichter en schilder Lucebert is één van de grootste en meest bepalende kunstenaars van na de Tweede Wereldoorlog. Als ‘keizer’ van de Vijftigers bouwt hij alras een enorme faam op. Zijn gedichten breken met elke poëtische traditie. Hij beschrijft geen gevoelens, maar laat woorden associëren of botsen, hanteert een overrompelende beeldspraak en een krachtig ritme. De grote (morele) levensvragen die hij vaak in de vorm van tegenstellingen oproept, gaat hij van meet af aan (politionele acties Indië) tot aan zijn laatste werk (de negatieve kanten van de hightech maatschappij) niet uit de weg. Lucebert wisselt periodes waarin hij dicht of schildert af. In de jaren zestig en zeventig ligt het accent op het beeldend werk. In het laatste decennium van zijn leven verschijnen nog een aantal sterke, verrassende bundels met gedichten.

Lubertus Jacobus Swaanswijk wordt in Amsterdam geboren. Zijn vader is huis- en decoratieschilder, zijn moeder verlaat het gezin als hij twee jaar is. Zijn vader zal later hertrouwen. Lucebert gaat na de ULO bij zijn vader werken. Zijn talent wordt ontdekt, in 1938 en ’39 bezoekt hij het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Daarna heeft hij een aantal baantjes, hij is onder meer retoucheur bij een fotograaf. Tijdens de oorlog wordt hij gedwongen tewerkgesteld in Duitsland, in 1944 keert hij terug, hij krijgt dan regelmatig opdrachten voor wandschilderingen, zoals voor het Franciscanessenklooster in Heemskerk. Bij de kloosterzusters valt zijn werk niet in de smaak, ze laten de muur wit verven, in 1989 is het ontwerp van Lucebert deels hersteld. Inmiddels heeft hij contact met dichters als Andreus en Kouwenaar en schilders als Karel Appel. Zijn eerste dichtbundel verschijnt in 1951: Triangel in de jungle gevolgd door de dieren der democratie. Als in 1953 Van de afgrond en de luchtmens verschijnt is zijn reputatie als vernieuwend en niets of niemand ontziend dichter definitief gevestigd.

Lucebert wordt de letterlijk gekroonde keizer van de Vijftigers, een groep experimentele dichters waartoe onder anderen ook Campert, Kouwenaar en Elburg behoren. Evenals de Cobragroep willen de dichters alles achter zich laten, opnieuw beginnen. Het verstikkende klimaat van de naoorlogse jaren wil men doorbreken. Men heeft een grote voorkeur voor spontane kunstuitingen, voor kindertekeningen, voor kunst van primitieve volkeren. Poëzie moest in het centrum van de werkelijkheid en het leven staan. Poëzie wil een manifestatie van het leven, ‘mooi en lelijk, vrolijk en droevig, precies zo irrationeel en absurd als het leven zelf.’ Lucebert verlaat na een conflict met Constant de Cobragroep. In 1952 leert Lucebert Tony Koek kennen met wie hij vijf kinderen krijgt. Het echtpaar vestigt zich in Bergen.

Hij ontvangt drie keer de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1953, 1956, 1962). Hij krijgt in 1967 de P.C. Hooftprijs en wordt in 1983 onderscheiden met de Prijs der Nederlandse letteren, hem uitgereikt door de Belgische koning Boudewijn.. Dat Lucebert poëzie ook dichters van jongere generaties aanspreekt, blijkt wel uit het werk van Leonard Ilja Pfeijffer, die ook regelmatig zijn schatplichtigheid aan en bewondering voor het werk van Lucebert heeft geuit.

Luceberts gedichten zijn lastig te interpreteren. Ook critici hebben het moeilijk met zijn uitwaaierende verzen, zijn beeldopeenstapelingen, zijn onverwachte woordgebruik. Woorden worden door hem vaak op een schijnbaar weinig logische manier naast elkaar geplaatst, de samenhang tussen die woorden is sterk associatief. De dichter is geen ‘ik’ meer die een visie uitdraagt, het is de aardse, concrete taal zelf die een antwoord geeft op de meest primaire vragen zoals: wat of wie is de mens, waar komt hij vandaan, waar gaat hij heen. Lucebert blijft vanaf de late jaren veertig tot aan zijn dood actueel-politieke kwesties in zijn werk aansnijden.

In veel van zijn verzen is woede ook duidelijk de motor van zijn poëzie. Een woede tegen religie, met name het katholicisme maar ook tegen het militarisme. Zijn laatste bundel Van de maltentige losbol verschijnt nadat hij op 10 mei 1994 aan de gevolgen van kanker in Alkmaar is overladen.

Het dubbeltalenet Lucebert was in de jaren zestig en zeventig vooral beeldend actief. In 1965, het jaar waarin hij de Constantijn Huygensprijs krijgt, koopt hij een tweede huis in Javea, Spanje, waar hij dan veel tijd doorbrengt. Het onderwerp van de meeste tekeningen en schilderijen van Lucebert is de menselijke of dierlijke figuur vaak in fantastische vervormingen. Hij bekijkt de mens op een groteske, satirische, pessimistische manier. Zijn figuren en gestalten zijn ook de uitdrukking van twee van Luceberts beroemdste dichtregels ‘dat schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft en: ‘alles van waarde is weerloos’. 

De laatst geciteerde regel komt uit 1974. Je komt het nog al eens tegen in geschriften over de waarde van kunst en cultuur of zomaar op een publiek gevel. Maar ook al is het zeer bekend ik kies toch voor dit gedicht. Het is o, zo waardevol:

de zeer oude zingt

er is niet meer bij weinig.
noch is er minder.
nog is onzeker wat er was.
wat wordt wordt willoos.
eerst als het is is het ernst.
het herinnert zich heilloos.
en blijft ijlings.

alles van waarde is weerloos.
wordt van aanraakbaarheid.
rijk.
en aan alles gelijk.

als het hart van de tijd.
als het hart van de tijd

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *