Vrijdag 16 juni 2017: Op donderdag 16 juni 1932 overleed Frederik van Eeden.

Frederik Willem van Eeden werd op 3 april 1860 in Haarlem geboren en overleed in Bussum op 16 juni 1932. De schrijver en psychiater werd dus 72 jaar. Hij was het meest bekend als schrijver van zijn romans De kleine Johannes (1887) en Van de koele meren des doods (1900). Bovendien kreeg hij bekendheid tot het stichten van woongemeenschap, kolonie of commune Walden in Bussum. Het idee ontleende hij aan het populaire boek Walden or Life in the Woods (1854) van Henry David Thoreau (1817-1862).

In zijn ouderlijk gezin speelden kunst en wetenschap een belangrijke rol en het was min of meer een vanzelfsprekendheid dat hij als 18 jarige (1878) medicijnen ging studeren in Amsterdam waar hij in 1886 ook promoveerde.

Hij werd eerst huisarts in Bussum maar ging al heel snel de in de richting van de psychotherapie. Samen met een paar andere collega’s start hij een praktijk voor psychoanalyse in Amsterdam. In het begin van de jaren tachtig was Van Eeden actief in het studentenleven in Amsterdam en publiceerde hij zijn eerste artikelen en blijspelen. Hij werd lid van de letterkundige vereniging Flanor en richtte in 1885 met o.a. Willem Kloos en Albert Verwey het tijdschrift De Nieuwe Gids op dat de spreekbuis werd van de Beweging der Tachtigers.

Frederik van Eeden is tweemaal getrouwd geweest en uit beide huwelijken had hij twee zoons. Uit zijn twee huwelijken had hij 4 zonen.

Naast actief in zijn vak en letterkunde toonde hij zich strek geïnteresseerd in de maatschappelijke ontwikkelingen. Hij hoorde tot de z.g. wereldverbeteraars. En hield zich daarom ook zeer serieus bezig met bezig met taal- en begripskritiek. Rondom zijn veertigste levensjaar ontwikkelde zijn opvattingen over de maatschappij meer in anarchistische richting. Ook dat was mogelijk een van de drijfveren om Walden op te richten. Hij zette in Bussum de bekende kolonie Walden en wilde daarmee zijn maatschappelijke opvattingen zichtbaar maken en uittesten. Deze socialistische (tuinbouw) kolonie was onder meer gebaseerd op gemeenschappelijk grondbezit. De kolonie deed ook dienst als rustoord voor psychiatrische patiënten. De opzet mislukte door zakelijk wanbeheer. Na eerst nog te zijn veranderd in een verbruikscoöperatie ging Walden in 1907 toch failliet. Het experiment had 9 jaar geduurd en is zeker van belang geweest voor de ontwikkeling van het socialisme in Nederland.

Van Eeden zag de maatschappij als een organisme dat door bepaalde oorzaken ontregeld was geraakt. Hij vond dat het zijn taak was niet alleen een diagnose te stellen en de sociale kwalen op het spoor te komen, maar ook een therapie te bieden. Van Eeden schreef veel sociaaleconomische geschriften waarbij hij bij voorkeur van ‘ziekte’ sprak als een metafoor voor de wantoestanden in de maatschappij. Voor Van Eeden was de ideale toestand van het maatschappelijke organisme een toestand van evenwicht. In een gezond organisme werkt, volgens Van Eeden, elk deel mee tot instandhouding van het geheel; in een ziek organisme werken de delen elkaar tegen.

In 1916 was hij ook betrokken bij de oprichting van de Internationale school voor Wijsbegeerte (ISW) in Amersfoort. Hierbij was voor van Eeden was de taal van grote betekenis voor de menselijke verstandhoudingen en de belangrijkste inspiratiebron voor het opzetten van de ISW.

Ik weet niet hoe zijn overgang naar de RK-kerk geplaatst moet worden maar in ieder geval staat vast dat hij zich gedurende een lange periode met deze bekering heeft bezig gehouden om op zijn 61 jarige leeftijd gedoopt te worden samen twee zonen en zijn echtgenote. Misschien past die overstap ook in de typering die Nescio gaf in zijn kortverhaal de Uitvreter gaf nl: “Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter”. Met “de man die…” verwijst Nescio naar Frederik van Eeden.
Verder is Van Eeden niet alleen een bekend literator, maar ook een internationaal bekend geleerde en maatschappijhervormer. Hij heeft een ongekende publicatielijst bestaand uit een groot aantal uiteenlopende vakgebieden.
Naast zeer veel proza heeft hij ook nogal een flink aantal gedichten geschreven, die in z’n algemeenheid niet positief werden beoordeeld.

Frederik van Eeden was mede-oprichter van de Nieuwe Gids bij uitstek een spreekbuis van de Tachtigers. Van de auteurs van de Beweging van Tachtig uit de negentiende eeuw is Frederik van Eeden zonder twijfel de meest veelzijdig getalenteerde: op het literaire vlak was hij dichter, romancier, criticus en toneelschrijver; in zijn beroep vakmatig zeer bekwaam als arts en psychiater, wetenschapper en filosoof; op maatschappelijk terrein sociaal geëngageerd hervormer maar ook politiek gezien een vredestichter.

Er was echter een sterk verschil tussen de erg sociaal-voelende Van Eeden en de individualistische Kloos en de romantische Van Eeden en de naturalistische Van Deyssel. Deze verschillen met andere Tachtigers resulteerde in een breuk met De Nieuwe Gids. Het was Van Eeden niet te doen om het woord maar om de gedachte.
De Tachtigers waren vaak eenzijdig met hun werk bezig.

Ook maakte van Eeden verschillende keren gebruik van pseudoniem. Hij debuteerde onder het pseudoniem Cornelis Paradijs met de dichtbundel ‘’Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland (1885)’ Hij gebruikte hiervoor dit pseudoniem: ’t Paradijs = (de hof) van E(e)den.

De Waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer…

(Uit de Passielooze Lelie. (1901))

De eerste strofe van het gedicht de Waterlelie geeft duidelijk aan dat de dichter verlangt naar schoonheid en zuivere liefde. De daarop volgende twee strofen onderstromen dat idee en eigenlijk zegt het gedicht dat als je dit gevoel hebt gevonden er niets meer te verlangen is. Een mens is pas compleet wanneer hij ten volle tot ontwikkeling en ontplooiing is gekomen. Maar er blijft natuurlijk een onoverbrugbare afstand tussen het ideaal en de werkelijkheid maw in dit gedicht tussen de witte waterlelie met het gouden hart en de donkere, harteloze vijvergrond. Ook refereert van Eeden in zijn boek van de liefde (1892) aan dit gedicht en het metafysische karakter hiervan. Met ‘het licht’ verwijst hij naar de liefde van God (God is liefde) dat de ware grond van het leven is.

Totaal ander gedicht heeft als titel De dichter en de geleerde” en dat gaat zo:

De Dichter is een neuswijs kind,
dat Leven zoekt waar ’t niemand vindt.
Hij spreekt met bergen, maan en zon
alsof dat alles leven kon.
De Dood zelf lijkt hem een bedrog,
zelfs dáárin speurt hij ’t leven nog.

Maar de Natuurgeleerde
doet juist het omgekeerde.
Zijn hedendaagse wetenschap
is wonder-slim, en wonder-knap,
want die verklaart, met wijsheid groot,
het Leven door de Dood.

Dit gedicht schreef van Eeden in zijn bundel Dante en Beatrice en andere verhalen (1908) . Waar hij op rijm(!) een kenmerk geeft van de dichter en de geleerde. Persoonlijk vind ik de rijm slecht en overstijgt de 5 december probeersel niet echt. Misschien was van Eeden wel een geleerde op het gebeid van de psychoanalyse en verwante gebieden maar hij was geen groot dichter.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *