Maandag 29 mei 2017: Jan HANLO, is op woensdag 29 mei 1912 in Bandung (Nederlands-Indië) geboren.

De dichter Jan Hanlo werd op 29 mei 1912 geboren in Bandung en overleed op 57-jarige leeftijd op 16 juni 1969 in Maastricht. Na zijn geboorte ontving Jan Hanlo een viertal voornamen nl: Johannes Bernardus Maria Raphaël. Ik neem aan dat die gift afkomstig was van zijn zeer gelovige RK-moeder. Een paar maanden na zijn geboorte vertrok hij samen met zijn moeder uit Bandung naar Nederland. Hij groeide op bij zijn grootouders van moederskant in Deurne. Alhoewel zijn ouders gescheiden waren heeft Jan het contact met zijn vader altijd behouden. Hij was zich zeer bewust van die afwezigheid en dat liet diep sporen na. Zijn moeder was een kunstzinnige en zeer aanwezige vrouw met een vroom katholiek geloof. Zij had een grote invloed op de ontwikkeling van Jan.

Jan Hanlo had een gecompliceerde persoonlijkheidsstructuur en is waarschijnlijk nooit erg gelukkig geweest. Hij worstelde met het vinden van een levensdoel en wist eigenlijk ook niet precies welke opleiding en welk beroep hij bewust zou moeten kiezen. Onzekerheid was wel een karaktertrek die hij 57 jaar heeft meegedragen tot aan zijn overlijden op 16 juni 1969 in Maastricht.

Na zijn lagere school haalde hij in 1931 zijn HBS-B diploma. Ging daarna journalistiek studeren maar maakte de opleiding niet af. Wel haalde hij na enige jaren zijn MO-A akte Engels waarmee hij bevoegd was om les te geven op middelbare schollen. Dat deed hij ook een aantal jaren. Gedurende WOII werd hij door de bezetter in Duitsland te werk gesteld maar keerde, wegens ziekte, vervroegd terug en ging in Amsterdam weer aan de slag als leraar.

In de herfst van 1944 begon Hanlo te dichten, toen hij, verliefd, met griep te bed lag. Hij bleek een geheel eigen talent te bezitten. In de jaren tot en met 1951 zou het belangrijkste deel van zijn kleine poëtisch oeuvre tot stand komen.

In 1945 werd hij leraar Engelse handelscorrespondentie aan het Instituut Schoevers in Amsterdam. Hij hield van het Amsterdamse nachtleven dronk veel een dichtte sporadisch. Wat zijn leven betreft noemde hij zichzelf micro productief. Dat werd mede ondersteund doordat hij eigenlijk nite geod wist wat hij met zijn leven aan moest. Hij kon of wilde niet kiezen.

In mei 1947 kreeg hij een psychose, waarin hij, naar zijn mening door God en de wind geleid, van het dak sprong; overigens zonder een schram op te lopen. Hij werd opgenomen in de Valeriuskliniek in Amsterdam en later in een inrichting voor zenuw zieken te Heiloo. Uiteindelijk kon hij zijn docentschap weer oppakken en ook later verscheen postuum (in 1972) het niet afgemaakte verslag over die periode met de titel: Zonder geluk valt niemand van het dak .

In het beperkte (lyrische) oeuvre van Hanlo voert de vorm de boventoon. Hij zegt daarover: ‘… de inhoud neem ik in de kunst nooit ernstig, wel de vorm’ . Over Hanlo’s poëzie wordt wel gezegd dat het is opgebouwd met een muzikaal taalgevoel en een verlangen naar schoonheid. In januari 1947 verschenen veel gedichten in literaire tijdschriften.

In 1950 schreef hij het klankdicht ‘Oote’, dat in die tijd voor veel opschudding zorgde. Het verscheen in het tijdschrift Roeping (28; 1951/1952) en werd het symbool van een poëtische opschudding. De VVD senator Wendelaar riep in de eerste kamer: ‘Dat er artiesten zijn, die … door hun infantiel gebazel ons aller rampzaligheid nog dieper doen gevoelen, tant pis; maar laat de staat zich er zorgvuldig van onthouden hieraan enigen steun te geven’. (Verslag der handelingen van de Eerste Kamer , 22-4-1952). Na zijn geruchtmakende gedicht heeft Hanlo nog maar weinig poëzie geschreven. Een vorm van erkenning voor zijn kleine productie was de uitgave uit 1958 van de Verzamelde gedichten en uiteraard de Grote Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam.

Je zou Jan Hanlo ook kunnen typeren als een echt moederskind. Hij hield van haar en hij bezocht haar zeer regelmatig. Zeker als hij weer eens ziek was en leed aan zijn chronisch maagproblemen zocht hij haar op. Toen zijn moeder hulp nodig had nam hij ontslag in Amsterdam en ging tegenover zijn moeder wonen in Valkenburg om haar te verzorgen. De ziekte van zijn moeder was de aanleiding om samen naar Lourdes te reizen met als doel te genezen. Helaas pakte dat anders uit en overleed zijn moeder in 1958.

Zijn hernieuwde leven in Zuid-Limburg waar hij een omvangrijke correspondentie voerde werd gekenmerkt door onzekerheid en eenzaamheid, Dat kon leiden tot conflicten over schijnbaar onbelangrijke dingen zoals zetfouten, geluid hinder en roken. Door te veel drank kwamen zijn escapades geregeld tot een handgemeen. In die tijd had hij ook lange perioden dat hij werkte aan zijn fascinaties voor geluidsopnamen met zijn bandrecorder. Hij was erg gefocusseerd op het opnemen van vogelzang en jongensstemmen. Ook kon hij zich dagen lang verliezen in kinderachtige bezigheden, zoals het componeren van de ‘Foepertjessymfonie’, een concert op toeter voor autoped. Serieuzer was zijn bezigheid met zijn grootste hobby namelijk het sleutelen aan zijn motor.

Gedurende begin jaren zestig publiceerde hij alleen nog maar proza stukken waarbij zijn geliefde onderwerpen waren: aforismen, raadsels, verhalen woordspelingen. Ook was hij een fervent brievenschrijver. Zijn interesse in de filosofie was groot en het onderwerp “vrij wil” heeft hem zijn hele leven geintrigeerd. Iets dat natuurlijk ook kon conflicteren met zijn katholieke geloof waarmee hij worstelde met de begrippen “de zin van het lijden en schuld”. Hij stelde dat in het godsbeeld van de kerk iets heel essentieels ontbrak namelijk ‘aardigheid zachtheid en vriendelijkheid’. Hij wees de stellingname van de kerk ook af als het ging over huwelijk en liefde.

In de latere jaren van zijn leven gaf Hanlo in prozastukjes voorzichtig uiting aan zijn pedofiele geaardheid. Hij bekende dat hij een minderjarige over de brost had geaaid en daarvoor zat hij een maand in het Haarlemse huis van bewaring wegens het over de borst aaien van een minderjarige. Een aantal jaren later kwam hij opnieuw in verleiding en kreeg een gebiedsverbod. In 1969 werd hij, tijdens een verblijf in Marokko verliefd op een 12 jarige jongen uit Marakech. Zes jaar later kreeg hij in verband met zijn contacten met jongetjes een gebiedsverbod voor enkele maanden.

In een postuum verslag dat uitkwam in 1971 wordt verteld dat hij in 1969 verliefd werd op de 12 jarige Mohamed tijdens zijn verblijf in Marakech. Hij kreeg toestemming de jongen mee te nemen naar Nederland voor een kort verblijf. Maar de vreemdelingenpolitie in Valkenburg zette de jongen op het vliegtuig, terug naar Marokko.

Twee weken later botste Jan Hanlo tijdens en stortbui met zijn motor op een tractor. Alhoewel hij niet zeer ernstig gewond was stierf hij twee dagen later in een Maastrichts ziekenhuis plotseling aan een embolie.

Een eenzaam mens overleed. Hij leefde in een tijd waarin er allerlei veranderingen gaande waren op het gebied van de dichtkunst, de avant-garde kunst van de jaren zestig, met de veranderingen in de seksuele moraal. Jan Hanlo was een man vol tegenstellingen het vinden van een balans in zijn leven bleek moeilijk. Kenners melden dat het hem heeft weerhouden om iets omvangrijk tot stand te brengen, maar leidde wel tot een unieke toon in een bijzondere verzameling poëzie en proza. .

Als voorbeeld van een van zijn fraaie gedichten geeft ik hier het gedicht “Waarover zal ik Zingen”:

Waarover zal ik zingen
over regenjassen over het lover van geboomte
of zal ik van de liefde zingen

Waarover zal ik zingen over vliegmachines
blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht
of zal ik zingen over de liefde

Over auto’s over steden en historie
of zal ik zingen over de liefde

Over vele vreemde dingen
over de gewone
of zal ik zingen over de liefde

Over bloemen over water
over mooie dingen of wat droevig is
of zal ik zingen over de liefde

Over tabak en vriendschap
over geur en wijn
over schepen zeilen meeuwen over ellende
over de ouderdom over de jeugd
of zal ik over de liefde zingen

————————–
uit: Gedichten (1974)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *