Zaterdag 15 juli 2017: op woensdag 15 juli 2015 overleed Rogi Wieg

Robert Gabor Charles (Rogi) Wieg  overleed op 15 juli 2015 in Amsterdam. Hij werd geboren op 21 augustus 1962 in Delft. Zijn ouders zijn afkomstig uit Hongarije en kwamen als vluchtelingen naar Nederland in 1957. Rogi Wieg was dichter, schrijver, criticus en beeldend kunstenaar en kreeg tijdens zijn jeugd een klassieke muzikale opleiding.

Als musicus koos hij al jong (16 jaar) zeer bewust voor de bluesmuziek en het Nederlandse chanson. Werkte ook samen met o.a. Liesbeth List.

In de periode 1986-1999 was hij als poëziecriticus verbonden aan Amsterdamse dagblad Het Parool . Ook werkte hij als redacteur voor de literaire tijdschriften Maatstaf en Tirade. Hij was een autodidact op het gebeid van tekenen en schilderen maar pakte serieus op rondom 1999. Hij vertaalde ook Hongaarse poëzie. Wieg publiceerde een groot aantal poëziebundels maar ook proza.

Zijn leven was niet eenvoudig doordat hij leed aan ernstige depressies.. Daardoor werd hij verschillende keren opgenomen in Psychiatrische ziekenhuizen en onderging een aantal keren de z.g. elektroshocktherapie. Hij leed dermate dat hij een drietal keren een poging deed tot zelfdoding. Hij overleed op 52 jarige leeftijd door te kiezen voor euthanasie wegens ondragelijk psychisch en lichamelijk lijden

Ongeveer een half jaar voor zijn overlijden trouwde hij met beeldend kunstenares Abys Kovács, die zijn gedichtenbunde Khazarenbloed  (2012) met tekeningen illustreerde. Hij debuteerde als dichter in 1981 op 19-jarige leeftijd debuteerde met het boekje Cis-trans. Nadien zouden er veel bundels volgen. Zijn schrijverscarrière begon veelbelovend en ontving voor zijn debuut ‘Toverdraad van dagverdrijf’ in (1986) waarvoor hij een jaar later de Van der Hoogtprijs voor ontving. Later zou hij nog meer prijzen ontvangen.

Over zijn dichterschap is veel te doen. In 2016 besprak Wim Brands in VPRO boeken Wiegs bundel Afgekapt dichtwerk en zei o.a.: ‘Wieg is nog steeds een even merkwaardige dichter als hij ook een merkwaardige poëziecriticus was. En ik bedoel dit als een reuze compliment’. Brands opinie is veel waard want hij was zelf dichter en bovendien een kenner van de Nederlandse poëzie.

In begin 1999 werd Rogi Wieg ziek en zei daarover o.a.: “Ik ben depressief geworden omdat ik teleurgesteld ben geraakt, in mezelf, relaties, de ontvangst van mijn werk, mijn mogelijkheden.”
Een jaar voor die uitspraak publiceerde hij zijn eerst proza als Privédomein-dagboek ‘Liefde is een zwaar beroep’ (1998).
In 2003 publiceert hij zij nieuwe proza bundel met de titel: ‘Kameraad scheermes’ waarin hij zijn verschillende zelfmoordpogingen beschreef en ervaringen tijdens zijn tijden van depressiviteit. Eerder had hij zijn dood al aangekondigd en zijn directe omgeving verbaasden zich er over dat hij nog bij hen was. Het is ook een indringend, autobiografische roman over depressie, psychiatrische zorg en de liefde van een vader voor zijn dochtertje

Na een zelfmoordpoging in 2003 zei hij zelf: ‘Ik heb in feite nooit dood gewild, maar als het lijden ondraaglijk is, dan is de dood het enige dat je nog hebt’

Ook tijdens zijn laatste maanden stuurde hij zijn laatste gedichten naar zijn uitgever. Vanaf 15 april 2015 stuurt hij met tussenpozen zijn uitgever omdat hij vond dat ze gepubliceerd moesten worden en wel op het digitale platform van het literair tijdschrift Extaze.

Het onderstaande gedicht heeft als datum 15 mei 2015 en heeft als titel:

Het rode leven regent

Aan de ene kant is er nog een kant.
Aan de andere kant is er geen kant meer.
Ik kan niet heen en weer, al zou tijd mij
dat wel toestaan. De schepping wil het niet.

De dood is de langste hoogte, voor- en zijkant
van het hout. Driedimensionaal niets waarin
ik liggen zal. Ik schrijf toch weer een vers over
wat er komen gaat. Komt dit door het weer vandaag?

Er valt rode regen* op de wereld. Het regent leven.
Misschien zonder DNA. Onwereldlijke maat die niet
naar niets toegaat als ik, maar komt vanuit het universum,
slingert door Het Al. Rode regen valt uit rode ogen
die wenen om de staat van zijn van lijf en stof.

En niets is een oud verhaal dat met lege handen
rooddoorweekt door de regen nooit meer thuiskomt.

Dit niets spoelt ook de rode regen niet naar huis
en niet meer weg. Zie: ik ben het, ik ben het maar.

 

De volgende dag 16 mei 2015 stuurde hij het gedicht:

”I want to talk about you”

God, geef mij nog een laatste
gedicht. In Uw metaforen beveel
ik mijn lichaam en geest.

Laat mijn dood een bloemlezing
zijn van iemand en iets. God,
maak van mijn pijn een bloementrompet
en maak van mij een vuurzee van water.

Zo zal ik niet sterven, maar ga ik
alleen een beetje dood. In mijn
ruggenmerg strooit U confetti
en daaruit zullen vleugels groeien.

Zo zal ik gezelschap voor U zijn
en U vliegensvlug voorlezen uit
oude boeken. Mijn God, ik zal
U niet verlaten.

Woensdag 5 juli 2017: Op donderdag 5 juli 2012 overleed Gerrit Jan Komrij.

Gerrit Komrij wed geboren in Winterswijk op 30 maart 1944 en overleed te Amsterdam op 5 juli 2012. Hij werd dus 68 jaar.

Hij was dichter, schrijver, vertaler criticus en toneelschrijver. Ook werd hij de eerste ‘Dichter des Vaderlands’ terwijl hij eigenlijk als tweede stond. Rutger Kopland kreeg de meeste stemmen maar hij bedankte voor de eer vanwege het vele werk dat dit met zich mee zou brengen. Gerrit Komrij was min of meer bekend bij het grote publiek omdat hij regelmatig te verscheen op de TV. Hij mengde zich natuurlijk veelmeer in de discussies die werden gevoerd via de literaire tijdschriften en kranten.

Zijn stem herkende je direct niet allen vanwege de toonhoogte maar ook door zijn uniek en kleurrijk taalgebruik. In zijn gedichten staat de vrijheid van het gebruik van de Nederlandse taal voorop. Soms hoorde je zijn typische stemgeluid terwijl je een van zijn gedichten aan het lezen was.

Gerrit Komrij volgde het gymnasium in zijn woonplaats Winterswijk en was toen al actief met het schijven van gedichten en ander proza voor de schoolkrant. Zijn pseudo-debuut,-zoals hij dat noemde – als dichter is ooit uitgegeven door een drukker in zijn woonplaats in 1963 en bestond uit vier gedichten. Zijn ‘echte’ debuut vond plaats in 1968 met de bundel ‘Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten’.

Komrij werd zeer belend door zijn bloemlezingen. In 1979 begon hij aan een bloemlezing Nederlandse poëzie die uiteindelijk zou leiden tot drie delen. In 1979 publiceerde hij ‘De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in duizend en enige gedichten’ en daarop volgde in 1986 ‘De Nederlandse poëzie van de 17de en 18de eeuw in duizend en enige gedichten’. Een derde deel kwam uit in 1994 met als titel: ‘De Nederlandse poëzie van de 12de tot en met de 16de eeuw in duizend en enige gedichten’. Naast genoemde grote bloemlezingen had hij al in een eerder stadium bloemlezingen gemaakt met gedichten over moeders en een ander over gedichten uit de Romantiek. Hij verzamelde ook van individuele dichters de meest belangrijkste poëzie zoals uit het werk van Johan Andreas Dèr Mouw, Jacob Israel de Haan, Hans Warren en Ida Gerhardt. De groet bloemlezingen werden niet altijd zonder kritiek ontvangen en dan met name door dichters die vonden dat zij niet of te weinig werden geciteerd. Veel opschudding die eigenlijk niet ging over poëzie maar alleen over persoonlijke tegenstrijdigheden. Het zorgde wel voor veel aandacht en publiciteit.

Zoals blijkt was zijn werk zeer veelzijdig. Hij schreef ook kunsthistorische studies en vooral veel eigen toneelstukken en toneel vertalingen van bijvoorbeeld Shakespeare en Molière. Daarnaast was hij (een gevreesd) criticus voor verschillende dag en weekbladen en dan is hij ook nog een periode TV recescent geweest. Hij publiceerde in de Volkskrant, NRC en Vrij Nederland m.b.t de hier voorgenoemde activiteiten. In 1977 bundelde hij zijn TV-kritieken

In NRC Handelsblad publiceerde Komrij jarenlang op woensdag de rubriek “Een en ander”, waarin alle onderwerpen ter sprake konden komen. Hij vertelde eens dat al die verschillende activiteiten niet betekende dat hij niet kon kiezen. Integendeel je leert van al die verschillende genres en kan het geleerde ook weer opnieuw inzetten.

Het autobiografische werk (Verwoest Arcadia (1980)) over zijn jeugd in Winterswijk tot aan zijn studentenjaren in Amsterdam focusseert zich op de verhouding van de hoofdpersoon Jacob tot jongens en bepaalde boeken. Het gedicht ‘Alles blijft’ past hier heel goed bij:

Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.

Uit: Alle gedichten tot gisteren (1999)

Gerrit Komrij won talrijke literaire prijzen en ontving op 8 februari 2000 een eredoctoraat van de Universiteit Leiden, dat hem werd uitgereikt in de Pieterskerk. Ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag organiseerde het Letterkundig Museum in 2004 een special tentoonstelling.

In 2009 verscheen de opvallende uitgave ‘Dansen op Spijkers’. Dit is een cd en boek, gemaakt in samenwerking met de Nederlandse componist Louis Gauthier (1981), waarop een deel van Komrij ‘s oeuvre te beluisteren is als liederen

Vanaf zijn debuut in 1968 hebben de gedichten van Gerrit Komrij in de belangstelling gestaan, vaak ook bij het groet publiek. Maar er was regelmatig wat reuring vaak geïnitieerd door critici en collega’s. De meningen over de opgeworpen kritiek liepen vaak ver uiteen. Misschien is dat niet zo vreemd voor een auteur die zelf een fel polemicus was. Het gaat er soms turbulent aan toe in zijn poëzie. Van bundel tot bundel maakte de poëzie van Komrij een ontwikkeling door van ironie naar elegie. Sterk uiteenlopende gebieden die niet altijd werden gewaardeerd.

Een fundamenteel uitgangspunt is voor Komrij de vrijheid van de dichter om zich nergens op vast te leggen. Komrij ‘s poëtica is autonomistisch: het gedicht schept een eigen, talige werkelijkheid. Het scheppingsproces vereist veel concentratie en is een langdurig proces. ‘Stijl is de hardnekkigheid waarmee je taal kneedt tot ’n architectonisch juweel,’ aldus Komrij. Gaandeweg het ontstaansproces leggen poëtische wetten als metrum, rijm, klank de dichter beperkingen op en dwingen zo het gedicht een bepaalde kant op. Van bundel tot bundel maakte de poëzie van Komrij een ontwikkeling door.

Komrij schreef ook eens het Groot Dictee der Nederlandse Taal en trad op als verteller, en schrijver, in het theaterstuk ‘De zeven zonden van Jeroen Bosch samen met het Nederlandse de oude muziek ensemble Camerata Trajectina.

Gerrit Komrij overleed na een kort ziekbed in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam. Op 20 september 2012 verscheen postuum de dichtbundel getiteld ‘Boemerang en Andere Gedichten’, Volgens zijn uitgeverij lag deze al min of meer klaar op het bureau van Komrij.

Twee gedichten met ongeveer 30 jaar daar tussen laten het dichterschap van Komrij naar mijn smaak geod zien.

Zondagskind

Anderen knippen met hun vingers, zie:
Er valt vanzelf een wonder uit hun hand.
Ik zwoeg gestaag, verbrand mijn energie,
Maar wat ik opdelf is wat grint en zand.

Anderen eten graag, ik kauw met pijn.
Fazant! en ik verslik met in een luis.
De hele kosmos smaakt ze zoet, op mijn
Verhemelte proef ik slechts as en gruis.

Anderen hebben ritme, ik loop mank.
Ze ademen, mijn hals hangt in een strop.
Ze geuren, ik verspreid een helse stank.
Toch kan ik mijn geluk bijna niet op.
——————————————-
uit: ‘De os op de klokkentoren’, 1981.

Paniek

Dan zie je dichters wijze dingen schrijven
Over de dood, de Ander en meer kwalen,
Over de liefde en dat soort spookverhalen –
Maar niets daarvan komt bij jou bovendrijven.

Misschien is daar die schim van onderlijven
Of trekt een lichte geur van slijm voorbij –
Maar daar lijkt het dan toch wel bij te blijven.
Er komt geen geest uit al die vodden vrij.

Ik zal de staat van filosoof nooit halen
Geen draden worden aan elkaar geknoopt
En er ontstaat uit zoveel noodsignalen
Geen levensles. O muis die trappenloopt.
————————-
uit: ‘Boemerang’, 2012.

 

Vrijdag 30 juni 2017: Op maandag 30 juni 1924 overleed Jacob Israel de Haan in Jeruzalem.

Hij is op 31 december 1881 geboren in Smilde. De schrijver, dichter en publicist emigreerde in 1919 als zionist naar Palestina. Hij werd daar op 30 juni 1924 vermoord door Avraham Tehomi in opdracht van de Joodse paramilitaire organisatie Hagana. Jacob Israel groeide op in een groot orthodox Joods gezin. Zijn vader was voorzanger in de synagoge en de schrijfster Carry van Bruggen was een van zijn zussen. Carry en hij zijn geen tweeling maar zijn wel in het zelfde jaar geboren. Carry was op een dag na een jaar ouder. Haar familie naam is Carolina Lea de Haan.

Jacob volgde eerst de kweekschool om onderwijzer te worden en deed en-passant zijn staatsexamen zodat hij rechten kon studeren. In 1909 studeerde hij af en 1916 promoveerde hij. Tijdens zijn opleiding tot onderwijzer werd hij lid van de SDAP en schreef bijdragen voor het socialistische dagblad Het Volk. Nog maar net 20 jaar schreef hij zijn eerste publicaties in literaire tijdschriften en in 1904 verscheen zijn eerste roman Pijpelijntjes. Het boek kreeg veel belangstelling maar het opzien was van andere dan literaire aard. Het boek was opgedragen aan zijn vriend A. Aletrino’, letterkundige en docent aan de universiteit. De Haan maakte schromelijk misbruik van zijn positie door Aletrino als min of meer herkenbaar personage op te voeren in zijn roman die homoseksuele thematiek beschreef. Aletrino en de vrouw van De Haan, Johanna de Haan-van Maarseveen, voelden zich gedwongen de hele oplage van dat boek op te kopen (en het daarmee tot een van de zeldzaamste literaire werken van de Nederlandse literatuur  te maken!). De Haan werkte het boek vervolgens in luttele maanden om tot een geheel andere roman. Maar de hoofdredacteur van het Volk P.L. Tak, stuurde hem een ontslagbrief. Ook werd De Haan op staande voet ontslagen als onderwijzer. Frederik van Eeden en vriend van Jacob keurde het boek af en ook Lodewijk van Deyssel die eerst positief reageerde had later veel kritiek.

In 1912 reisde de Haan naar Rusland, waarbij hij een aantal gevangenissen bezocht om de situatie van politieke gevangenen te onderzoeken. Na terugkeer publiceerde hij in 1913 zijn boek met schokkende bevindingen: In Russische gevangenissen (1913).

Ondertussen had De Haan het socialisme  vaarwel gezegd, en werd hij zionist en werd later actief in een traditionele religieuze orthodoxe organisatie. In 1919 na zijn emigratie naar Palestina werd hij een van de politieke leiders van die organisatie. Hij was voorstander van een staat waarin Joden en Arabieren als gelijken zouden leven, en bepleitte onderhandelingen met Arabische leiders. Hij streefde naar een vreedzame beëindiging van de tegenstelling tussen de twee groepen met als gevolg de ergernis van zionistische leiders..De Haan was in Palestina werkzaam als correspondent van het Algemeen Handelsblad en was zeer actief als journalist en schrfeef zeer veel bijdragen voorde krant en ander bladen.

Op maandag 30 juni 1924 werd De Haan met drie pistoolschoten om het leven gebracht toen hij terugkwam van het avondgebed in de synagoge. Door velen werd lange tijd gedacht dat de daders Arabieren waren, maar dat bleek niet correct. De politieke moord op De Haan is zorgvuldig onderzocht en de moordenaar werd gevonden nl een zekere Avraham Tehomi (1903-1990) die als bejaarde zakenman in Hong Kong woonde en geen enkele spijt toonde van de moord die hij gepleegd had. Hetgeen hij kort voor zijn dood bevestigde tijdens een interview met de VPRO.

Het leven en de tragische dood van De Haan inspireerde de Duitse schrijver Arnold Zweig (1887-1968)  tot zijn roman De Vriendt kehrt heim (1932). Dit boek is later ook in het Nederlands vertaald. Het groet aantal publicaties (proza en poezie) van Jacob Israel de Haan toont aan dat hij zeker niet vergeten is.

De Haan schreef reeds vanaf 1900 poëzie die ook gepubliceerd werd. Vanaf 1914 kwamen voldragen bundels uit met gedichten die vaak opnieuw homoseksualiteit tot onderwerp hadden: Libertijnsche liederen (1914) en Een nieuw Carthago (1919). Zijn bekendste gedichten staan in de postuum uitgegeven Kwatrijnen, een omvangrijke bundel intieme, gevoelige poëzie. Daar lees je de sublieme eigenzinnigheid van zijn verzen vol emotie en met stimulerende ritmiek. In 1952 werden zijn Verzamelde gedichten uitgegeven en verschenen zijn gedichten in de bekende bloemlezingen. In september 2008 werd opnieuw het Genootschap Jacob Israël de Haan voor een tweede keer opgericht maar nu onder leiding van de voorzitter met de als voorzitter de hoogleraar Marita Mathijsen

In 1993 werd in de Amsterdamse Pijp (die ook centraal stond in de roman Pijpelijntjes) naar hem vernoemd. Van sommige gedichten wordt een zin soms veel bekender dan het gedicht op zich, zoals ook de uit deze sonnet ontleende zin: ‘Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen’, die vooral binnen de homo gemeenschap een grote emotionele betekenis heeft gekregen, en aangebracht is op het in 1987 onthulde Home monument in Amsterdam:

 Hier volgt het gehele gedicht dat de titel heeft: Aan een jongen visscher”

Rozen zijn niet zoo schoon als uwe wangen,
Tulpen niet als uw bloote voeten teer,
En in geen oogen las ik immer meer
Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen.

Achter ons was de eeuwigheid van de zee,
Boven ons bleekte grijs de eeuwige lucht,
Aan ’t eenzaam strand dwaalden alleen wij twee,
Er was geen ander dan het zeegerucht.

Laatste dag samen, ik ging naar mijn Stad.
Gij vaart en vischt tevreden, ik dwaal rond
En vind in stad noch stiller landstreek wijk.

Ik ben zóo moede, ik heb veel liefgehad.
Vergeef mij veel, vraag niet wat ik weerstond
En bid dat ik nooit voor uw schoon bezwijk.

Als afsluiting uit zijn bundel Liederen, 1917

Die te Amsterdam vaak zei: “Jeruzalem”
En naar Jeruzalem gedreven kwam,
Hij zegt met een mijmrende stem:
“Amsterdam. Amsterdam.”

 

Woensdag 21 juni 2017: Op zondag 21 juni 1925 overleed de dichter Jan Hendrik (J.H.) Leopold

J.H. Leopold, was dichter, leraar en classicus. Geboren in ‘s-Hertogenbosch 11-5-1865 –en overleden op 60 jarige leeftijd in Rotterdam op 21-6-1925 . Hij was een zoon van Martinus Leopold, (leraar), en Anna Elizabet Plaat. H.J. Leopold is nooit getrouwd geweest.

Leopold was afkomstig uit een literair milieu: verscheidene familieleden hadden zich beziggehouden met de schone letteren en zijn vader (leraar) maakte daarop geen uitzondering. Na wat omzwervingen kwam de familie uiteindelijk terecht in Arnhem en daar ging Jan Hendrik naar de lagere school en het gymnasium, waarna hij zich in 1883 liet inschrijven als student in de klassieke letteren te Leiden. In 1889 behaalde hij cum laude zijn doctoraal examen in 1889 en 1892, eveneens cum laude, zijn promotie. Hij had een paar ongelukkig liefdes en mogelijk was dat de oorzaak waarom hij zijn verder leven ongehuwd is gebleven. Hij is tot bijna zijn dood leraar geweest eerst in Deventer en daarna (1891) in Rotterdam.

Hij studeerde veel en was zeer geïnteresseerd in filosofie en ander wetenschappen. Schreef studies over Spinoza alsmede een tweetal boekjes met vertaling van Stoïsche wijsheid (Rotterdam, 1904). Hij was een liefhebber van Muziek en kon in zijn vrienden kring genieten van componisten zoals Schubert, Beethoven of Tsjaikovski. Hij speelde zèlf piano en hield van quatre-mains spelen.

In 1893 debuteerde hij in De Nieuwe Gids met de ‘Zes Christus-verzen’. In volgende jaren kwamen meer gedichten, maar tot een bundeling kwam het pas in 1912, toen P.C. Boutens, uiteindelijk zonder instemming van de dichter, diens Verzen uitgaf. Onvrede met die uitgave bracht Leopold er toe, het volgend jaar zelf een uitgave te verzorgen. Behalve wat kleinere werken als Cheops (1916) en Oostersch (‘s-Gravenhage, 1924) verscheen er tijdens zijn leven vrijwel geen werk meer; Eerst de uitgave door P.N. van Eyck van de Verzamelde Verzen (Rotterdam, 1935) openbaarde de ‘rijkdom van het onvoltooide’. Honderden vaak slechts ten dele complete verzen die nooit waren uitgewerkt waarvan de kenners beweerden dat ze zeker gepubliceerd moesten worden. Deze gedichten laten duidelijk zien hoe uitgebreid en gedetailleerd Leopolds werkmethode was. Hij probeerde alles om rijke werkelijkheid in subtiel taalgebruik te vangen.

Sommige critici stellen dat zijn werk verwant is met de Tachtigers en andere beweren dat er duidelijk kenmerken van Gorter aanwezig zijn. Heel duidelijk is dat Leopold een gevoelig mens was die zich kwetsbaar toont: ‘een hart, dat sprak; een mond, die niet kon spreken’. IN zijn werk ontmoet je de worsteling om zelfbehoud, het geluksverlangen en de eenzaamheid. Anderen proberen zijn werk te plaatsen onder de noemer van het uit Frankrijk komende symbolisme. Een stroming in de beeldende kunst, muziek en literatuur die als reactie ontstond na de dominante periode waarbij realisme en naturalisme de hoofdrol speelden. Het symbolisme kenmerkt zich door een sterke hang naar het verleden en een gerichtheid op het onderbewuste, het ongewone en het onverklaarbare. Verbeeldingskracht, fantasie en intuïtie zijn gangbare kenmerken van deze fase in de kunst. Of dit exact van toepassing is op de poëzie die Leopold geschreven heeft is een vaak gestelde vraag waarop ik zeker geen antwoord kan geven.

Het beste is zijn gedichten te lezen los van welke indeling dan ook en proberen te verstaan wat de dichter wil zeggen. Een van zijn bekendste en mooiste liefdesgedichten heeft als titel: ‘O nachten van gedragene extase’ .

O nachten van gedragene extase
en diep gedronkene verzadiging,
als elk met zijn geluk te rade ging
en van alleenzijn langzaam wij genazen.

Te denken de ononderbroken uren
aan de volkomen overvloed van dit
verwezenlijkte; onvervreemd bezit,
dat blijven zal en ongeschonden duren 

het onbesefbare van deze gave
van eene andere en die naast ons was
ter vereenzelviging en zelve pas
het inzicht vond van banden, die begaven.

Te hooren naar de rustig ingezogen
teugen des ademens en het geruisch,
dat op en af het geheimzinnig huis
doorstroomde, in een eb en vloed bewogen.

En innerlijker naar den drift te hooren
van de verborgen donkre harteklop,
de wortelstok des levens; wat look op
en wat werd in den arbeidsnacht geboren?

En eindelijk het nauw te speuren zweven
van de twee wimpers, van de wonderlicht
bewerktuigde, die werden slank gezwicht
en dan oneindig sleepende geheven;

Daarnaast publiceerde Leopold artikelen in de krant over de meest uiteenlopende onderwerpen zoals hij in de krant over onder meer Honoré de Balzac en Ludwig van Beethoven. Leopold was een fanatiek muziekliefhebber die graag concerten bezocht en piano speelde; bij beide activiteiten betrok hij ook weleens een (oud-)leerling. Ook was hij een enthousiast bergbeklimmer en schaatser. Helaas nam naarmate hij ouder werd zijn doofheid toe. Dat werkte een nog grotere eenzaamheid in zijn leven Een echte symbolische dichter probeert in zijn gedichten uitzicht te bieden op een hogere wereld, een pretentie die bij Leopold niet waargemaakt wordt. Daarom wordt hij wel een ‘dissidente’ symbolist genoemd

In 1908 bereikte hij het hoogtepunt van zijn wetenschappelijke vakpublicaties met de verschijning bij de Clarendon Press te Oxford van zijn Marcus Aurelius-editie. Deze uitgave, die meerdere malen herdrukt werd, stond internationaal in hoog aanzien

Leopold was een geliefde leraar en onderhield met enkele (oud-)leerlingen vriendschapsbanden, bijvoorbeeld met J.Sj. Brouwer, die in de periode 1914-1917 nauw bevriend met de dichter was. Brouwer bezocht de dichter elke maandagavond van zeven uur tot half elf, waarna ze samen uitgingen, na de hele avond te hebben besteed met praten en musiceren.Onder auspiciën van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen verscheen een historisch-kritische editie in drie delen, samen in zeven banden over het gehele werk van J.H. Leopold, die ook wel, na Vondel de grote dichter van Nederland wordt genoemd.

 

 

Vrijdag 16 juni 2017: Op donderdag 16 juni 1932 overleed Frederik van Eeden.

Frederik Willem van Eeden werd op 3 april 1860 in Haarlem geboren en overleed in Bussum op 16 juni 1932. De schrijver en psychiater werd dus 72 jaar. Hij was het meest bekend als schrijver van zijn romans De kleine Johannes (1887) en Van de koele meren des doods (1900). Bovendien kreeg hij bekendheid tot het stichten van woongemeenschap, kolonie of commune Walden in Bussum. Het idee ontleende hij aan het populaire boek Walden or Life in the Woods (1854) van Henry David Thoreau (1817-1862).

In zijn ouderlijk gezin speelden kunst en wetenschap een belangrijke rol en het was min of meer een vanzelfsprekendheid dat hij als 18 jarige (1878) medicijnen ging studeren in Amsterdam waar hij in 1886 ook promoveerde.

Hij werd eerst huisarts in Bussum maar ging al heel snel de in de richting van de psychotherapie. Samen met een paar andere collega’s start hij een praktijk voor psychoanalyse in Amsterdam. In het begin van de jaren tachtig was Van Eeden actief in het studentenleven in Amsterdam en publiceerde hij zijn eerste artikelen en blijspelen. Hij werd lid van de letterkundige vereniging Flanor en richtte in 1885 met o.a. Willem Kloos en Albert Verwey het tijdschrift De Nieuwe Gids op dat de spreekbuis werd van de Beweging der Tachtigers.

Frederik van Eeden is tweemaal getrouwd geweest en uit beide huwelijken had hij twee zoons. Uit zijn twee huwelijken had hij 4 zonen.

Naast actief in zijn vak en letterkunde toonde hij zich strek geïnteresseerd in de maatschappelijke ontwikkelingen. Hij hoorde tot de z.g. wereldverbeteraars. En hield zich daarom ook zeer serieus bezig met bezig met taal- en begripskritiek. Rondom zijn veertigste levensjaar ontwikkelde zijn opvattingen over de maatschappij meer in anarchistische richting. Ook dat was mogelijk een van de drijfveren om Walden op te richten. Hij zette in Bussum de bekende kolonie Walden en wilde daarmee zijn maatschappelijke opvattingen zichtbaar maken en uittesten. Deze socialistische (tuinbouw) kolonie was onder meer gebaseerd op gemeenschappelijk grondbezit. De kolonie deed ook dienst als rustoord voor psychiatrische patiënten. De opzet mislukte door zakelijk wanbeheer. Na eerst nog te zijn veranderd in een verbruikscoöperatie ging Walden in 1907 toch failliet. Het experiment had 9 jaar geduurd en is zeker van belang geweest voor de ontwikkeling van het socialisme in Nederland.

Van Eeden zag de maatschappij als een organisme dat door bepaalde oorzaken ontregeld was geraakt. Hij vond dat het zijn taak was niet alleen een diagnose te stellen en de sociale kwalen op het spoor te komen, maar ook een therapie te bieden. Van Eeden schreef veel sociaaleconomische geschriften waarbij hij bij voorkeur van ‘ziekte’ sprak als een metafoor voor de wantoestanden in de maatschappij. Voor Van Eeden was de ideale toestand van het maatschappelijke organisme een toestand van evenwicht. In een gezond organisme werkt, volgens Van Eeden, elk deel mee tot instandhouding van het geheel; in een ziek organisme werken de delen elkaar tegen.

In 1916 was hij ook betrokken bij de oprichting van de Internationale school voor Wijsbegeerte (ISW) in Amersfoort. Hierbij was voor van Eeden was de taal van grote betekenis voor de menselijke verstandhoudingen en de belangrijkste inspiratiebron voor het opzetten van de ISW.

Ik weet niet hoe zijn overgang naar de RK-kerk geplaatst moet worden maar in ieder geval staat vast dat hij zich gedurende een lange periode met deze bekering heeft bezig gehouden om op zijn 61 jarige leeftijd gedoopt te worden samen twee zonen en zijn echtgenote. Misschien past die overstap ook in de typering die Nescio gaf in zijn kortverhaal de Uitvreter gaf nl: “Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter”. Met “de man die…” verwijst Nescio naar Frederik van Eeden.
Verder is Van Eeden niet alleen een bekend literator, maar ook een internationaal bekend geleerde en maatschappijhervormer. Hij heeft een ongekende publicatielijst bestaand uit een groot aantal uiteenlopende vakgebieden.
Naast zeer veel proza heeft hij ook nogal een flink aantal gedichten geschreven, die in z’n algemeenheid niet positief werden beoordeeld.

Frederik van Eeden was mede-oprichter van de Nieuwe Gids bij uitstek een spreekbuis van de Tachtigers. Van de auteurs van de Beweging van Tachtig uit de negentiende eeuw is Frederik van Eeden zonder twijfel de meest veelzijdig getalenteerde: op het literaire vlak was hij dichter, romancier, criticus en toneelschrijver; in zijn beroep vakmatig zeer bekwaam als arts en psychiater, wetenschapper en filosoof; op maatschappelijk terrein sociaal geëngageerd hervormer maar ook politiek gezien een vredestichter.

Er was echter een sterk verschil tussen de erg sociaal-voelende Van Eeden en de individualistische Kloos en de romantische Van Eeden en de naturalistische Van Deyssel. Deze verschillen met andere Tachtigers resulteerde in een breuk met De Nieuwe Gids. Het was Van Eeden niet te doen om het woord maar om de gedachte.
De Tachtigers waren vaak eenzijdig met hun werk bezig.

Ook maakte van Eeden verschillende keren gebruik van pseudoniem. Hij debuteerde onder het pseudoniem Cornelis Paradijs met de dichtbundel ‘’Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland (1885)’ Hij gebruikte hiervoor dit pseudoniem: ’t Paradijs = (de hof) van E(e)den.

De Waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in ’t licht.

Rijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer…

(Uit de Passielooze Lelie. (1901))

De eerste strofe van het gedicht de Waterlelie geeft duidelijk aan dat de dichter verlangt naar schoonheid en zuivere liefde. De daarop volgende twee strofen onderstromen dat idee en eigenlijk zegt het gedicht dat als je dit gevoel hebt gevonden er niets meer te verlangen is. Een mens is pas compleet wanneer hij ten volle tot ontwikkeling en ontplooiing is gekomen. Maar er blijft natuurlijk een onoverbrugbare afstand tussen het ideaal en de werkelijkheid maw in dit gedicht tussen de witte waterlelie met het gouden hart en de donkere, harteloze vijvergrond. Ook refereert van Eeden in zijn boek van de liefde (1892) aan dit gedicht en het metafysische karakter hiervan. Met ‘het licht’ verwijst hij naar de liefde van God (God is liefde) dat de ware grond van het leven is.

Totaal ander gedicht heeft als titel De dichter en de geleerde” en dat gaat zo:

De Dichter is een neuswijs kind,
dat Leven zoekt waar ’t niemand vindt.
Hij spreekt met bergen, maan en zon
alsof dat alles leven kon.
De Dood zelf lijkt hem een bedrog,
zelfs dáárin speurt hij ’t leven nog.

Maar de Natuurgeleerde
doet juist het omgekeerde.
Zijn hedendaagse wetenschap
is wonder-slim, en wonder-knap,
want die verklaart, met wijsheid groot,
het Leven door de Dood.

Dit gedicht schreef van Eeden in zijn bundel Dante en Beatrice en andere verhalen (1908) . Waar hij op rijm(!) een kenmerk geeft van de dichter en de geleerde. Persoonlijk vind ik de rijm slecht en overstijgt de 5 december probeersel niet echt. Misschien was van Eeden wel een geleerde op het gebeid van de psychoanalyse en verwante gebieden maar hij was geen groot dichter.

 

 

 

 

 

Donderdag 8 juni 2017: Op dinsdag 8 juni 1943 is Tomas Lieske in Den Haag geboren.

Tomas Lieske is het pseudoniem van Antonius Theodorus (Ton) van Drunen die sinds 1966 Nederlandse taal en letterkunde en theaterwetenschappen aan de Universiteit van Leiden heeft gestudeerd. Na zijn studie (1972) was hij enige tijd leraar aan het Haags Montessori Lyceum in Den Haag. Organiseerde daar ook de toneelvoorstellingen met de leerlingen. Tijdens zijn leraarschap studeerde hij af (1974) op een doctoraalscriptie over de romans van Simon Vestdijk. Ging in 1978 in Amsterdam dramaturgie studeren en deed dat tot 1982. Liep stage bij Erik de Vos van toneelgroep ‘De Appel’ in Den Haag.

Het literaire debuut van Tomas Lieske literaire vond pas op latere leeftijd plaats. Zijn eerste gedichten werden gepubliceerd toen hij 38 jaar was in de tijdschriften Tirade en De Revisor. Het was eigenlijk op het zelfde moment dat hij ook door de redactie van Tirade werd gevraagd een poëziekroniek te schrijven. Die essays werden gepubliceerd in 1989 in de bundel Een hoofd in de toendra. Het was niet zijn eerste publicatie want in 1987 werd zijn eerste dichtbundel De ijsgeneraals en in 1989 zijn tweede poeziebundel Een tijger onderweg, reeds uitgegeven.

In 1992 schreef hij zijn prozadebuut Oorlogstuinen en daar ontving hij de Geertjan Lubberhuizenprijs voor. In 1996 behoorde zijn tweede roman Nachtkwartier tot de shortlist voor de Libris Literatuur Prijs maar het was Alfred Kossman die met zijn roman Huldigingen de prijs in ontvangst mocht nemen. Een aantal jaren daarna was het de roman Franklin waarmee Lieske in 2001 de Libris Literatuur Prijs en dé literaire jongerenprijs van het Nederlandse taalgebied de ‘Inktaap’ won. Zijn roman Dünya werd in 2008 genomineerd voor de AKO Literatuur Prijs die echter naar Doeschka Meijsing ging.

Zijn werk bestaat naast dichtbundels en romans ook uit toneelstukken. Bovendien is een aantal van zijn boeken en gedichten in verschillende talen vertaald, onder meer in het Turks.

De bundel Hoe je geliefde te herkennen werd in 2007 bekroond met de VSB-poëzieprijs voor de beste bundel van het jaar. Over zijn dichtkunst zegt Lieske zelf: ‘De dichtkunst lijkt mij bij uitstek niet bedoeld om het de lezer makkelijk te maken’, en dat demonstreert hij met historische en mythologische verwijzingen en onlogische plotwendingen.

In zijn poëzie zijn fantasie en werkelijkheid vaak in botsing. Ik wil graag twee gedichten plaatsen namelijk:

Hoe je geliefde te herkennen

De naam van de geliefde sist van voltage;
de stap wordt vlak voor het rendez-vous een fractie
gewijzigd: iets ingehouden of juist extra versneld.
In het oog blinkt het heldere polaar van duindorpen;
een strakke snaar die om je gedachten gespannen was.
knapt onverwachts.

Dit is wat de geliefde verspreidt:
een geur van zomerlinde, van avondmelk,
van naakte huid onder een joppertje,
een geur van de liguster aan het eind van de tuinen,
waar in het lage licht met het geduld
van spinnen de geheimen worden prijsgegeven.

Plotseling zal een jeugdig besef de dagelijkse slijtage verjagen,
schiet een woord je te binnen dat je al lang vergeten was,
lijkt het niveau van Maria Callas ook voor jou
bereikbaar, en het cantilene geloof,
dat je tot zelfs na de dood samen
hand in hand de eeuwigheid zal bewandelen.
O, zacht licht op paden langs manmoedig gras, o,
zicht op het dociele kroos, de prudente koeien.
——————————————
uit: ‘Hoe je geliefde te herkennen’, 2006.

 Weipoort

Al eeuwen komt iedere nacht de turfsteker.
Bedachtzaam, met planken
onder zijn voeten, leunend op een onmetelijke
spa sopt hij over de natte aarde. Met elke pas
zuigt hij met vet geluid zijn platte
houten voet uit het gras.

                                                      Weipoortnacht.
Achter de boerderij het hoge wateroppervlak
voor het gebouw stroomt alles lager, zelfs van water
verheft de bezoeker het niveau; hij maant
de sloot tot vaart en laat de spiegel stijgen.
Hij laat het water verrijzen. Vissen slaan
hun staart uit hun trimvest en mieren
snorkelen met zwemvliezen rond. Een grutto
schrikt in zijn slaap, vliegt op en begint zich
aan te prijzen.

                                    Nacht in Weipoort
en achter hagen en kanten hopen wij
dat de turfsteker ons aandoet, ons
verheft uit onze lage dromen en gedachten
onze slaap vermoordt, de witte wijven
op de weide dansen laat, ons leven
stuurt, verbijzondert, met kracht
van wet water uit onze trotse
bodem slaat.

 Uit: Haar nijlpaard optillen (2012).

(Opmerking van Lieske over dit gedicht: Weipoort is een dorp in Zuid-Holland, nabij Zoeterwoude. Dit gedicht, is gewijd aan het water- en weidegebied van Zuid-Holland.)

Maandag 29 mei 2017: Jan HANLO, is op woensdag 29 mei 1912 in Bandung (Nederlands-Indië) geboren.

De dichter Jan Hanlo werd op 29 mei 1912 geboren in Bandung en overleed op 57-jarige leeftijd op 16 juni 1969 in Maastricht. Na zijn geboorte ontving Jan Hanlo een viertal voornamen nl: Johannes Bernardus Maria Raphaël. Ik neem aan dat die gift afkomstig was van zijn zeer gelovige RK-moeder. Een paar maanden na zijn geboorte vertrok hij samen met zijn moeder uit Bandung naar Nederland. Hij groeide op bij zijn grootouders van moederskant in Deurne. Alhoewel zijn ouders gescheiden waren heeft Jan het contact met zijn vader altijd behouden. Hij was zich zeer bewust van die afwezigheid en dat liet diep sporen na. Zijn moeder was een kunstzinnige en zeer aanwezige vrouw met een vroom katholiek geloof. Zij had een grote invloed op de ontwikkeling van Jan.

Jan Hanlo had een gecompliceerde persoonlijkheidsstructuur en is waarschijnlijk nooit erg gelukkig geweest. Hij worstelde met het vinden van een levensdoel en wist eigenlijk ook niet precies welke opleiding en welk beroep hij bewust zou moeten kiezen. Onzekerheid was wel een karaktertrek die hij 57 jaar heeft meegedragen tot aan zijn overlijden op 16 juni 1969 in Maastricht.

Na zijn lagere school haalde hij in 1931 zijn HBS-B diploma. Ging daarna journalistiek studeren maar maakte de opleiding niet af. Wel haalde hij na enige jaren zijn MO-A akte Engels waarmee hij bevoegd was om les te geven op middelbare schollen. Dat deed hij ook een aantal jaren. Gedurende WOII werd hij door de bezetter in Duitsland te werk gesteld maar keerde, wegens ziekte, vervroegd terug en ging in Amsterdam weer aan de slag als leraar.

In de herfst van 1944 begon Hanlo te dichten, toen hij, verliefd, met griep te bed lag. Hij bleek een geheel eigen talent te bezitten. In de jaren tot en met 1951 zou het belangrijkste deel van zijn kleine poëtisch oeuvre tot stand komen.

In 1945 werd hij leraar Engelse handelscorrespondentie aan het Instituut Schoevers in Amsterdam. Hij hield van het Amsterdamse nachtleven dronk veel een dichtte sporadisch. Wat zijn leven betreft noemde hij zichzelf micro productief. Dat werd mede ondersteund doordat hij eigenlijk nite geod wist wat hij met zijn leven aan moest. Hij kon of wilde niet kiezen.

In mei 1947 kreeg hij een psychose, waarin hij, naar zijn mening door God en de wind geleid, van het dak sprong; overigens zonder een schram op te lopen. Hij werd opgenomen in de Valeriuskliniek in Amsterdam en later in een inrichting voor zenuw zieken te Heiloo. Uiteindelijk kon hij zijn docentschap weer oppakken en ook later verscheen postuum (in 1972) het niet afgemaakte verslag over die periode met de titel: Zonder geluk valt niemand van het dak .

In het beperkte (lyrische) oeuvre van Hanlo voert de vorm de boventoon. Hij zegt daarover: ‘… de inhoud neem ik in de kunst nooit ernstig, wel de vorm’ . Over Hanlo’s poëzie wordt wel gezegd dat het is opgebouwd met een muzikaal taalgevoel en een verlangen naar schoonheid. In januari 1947 verschenen veel gedichten in literaire tijdschriften.

In 1950 schreef hij het klankdicht ‘Oote’, dat in die tijd voor veel opschudding zorgde. Het verscheen in het tijdschrift Roeping (28; 1951/1952) en werd het symbool van een poëtische opschudding. De VVD senator Wendelaar riep in de eerste kamer: ‘Dat er artiesten zijn, die … door hun infantiel gebazel ons aller rampzaligheid nog dieper doen gevoelen, tant pis; maar laat de staat zich er zorgvuldig van onthouden hieraan enigen steun te geven’. (Verslag der handelingen van de Eerste Kamer , 22-4-1952). Na zijn geruchtmakende gedicht heeft Hanlo nog maar weinig poëzie geschreven. Een vorm van erkenning voor zijn kleine productie was de uitgave uit 1958 van de Verzamelde gedichten en uiteraard de Grote Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam.

Je zou Jan Hanlo ook kunnen typeren als een echt moederskind. Hij hield van haar en hij bezocht haar zeer regelmatig. Zeker als hij weer eens ziek was en leed aan zijn chronisch maagproblemen zocht hij haar op. Toen zijn moeder hulp nodig had nam hij ontslag in Amsterdam en ging tegenover zijn moeder wonen in Valkenburg om haar te verzorgen. De ziekte van zijn moeder was de aanleiding om samen naar Lourdes te reizen met als doel te genezen. Helaas pakte dat anders uit en overleed zijn moeder in 1958.

Zijn hernieuwde leven in Zuid-Limburg waar hij een omvangrijke correspondentie voerde werd gekenmerkt door onzekerheid en eenzaamheid, Dat kon leiden tot conflicten over schijnbaar onbelangrijke dingen zoals zetfouten, geluid hinder en roken. Door te veel drank kwamen zijn escapades geregeld tot een handgemeen. In die tijd had hij ook lange perioden dat hij werkte aan zijn fascinaties voor geluidsopnamen met zijn bandrecorder. Hij was erg gefocusseerd op het opnemen van vogelzang en jongensstemmen. Ook kon hij zich dagen lang verliezen in kinderachtige bezigheden, zoals het componeren van de ‘Foepertjessymfonie’, een concert op toeter voor autoped. Serieuzer was zijn bezigheid met zijn grootste hobby namelijk het sleutelen aan zijn motor.

Gedurende begin jaren zestig publiceerde hij alleen nog maar proza stukken waarbij zijn geliefde onderwerpen waren: aforismen, raadsels, verhalen woordspelingen. Ook was hij een fervent brievenschrijver. Zijn interesse in de filosofie was groot en het onderwerp “vrij wil” heeft hem zijn hele leven geintrigeerd. Iets dat natuurlijk ook kon conflicteren met zijn katholieke geloof waarmee hij worstelde met de begrippen “de zin van het lijden en schuld”. Hij stelde dat in het godsbeeld van de kerk iets heel essentieels ontbrak namelijk ‘aardigheid zachtheid en vriendelijkheid’. Hij wees de stellingname van de kerk ook af als het ging over huwelijk en liefde.

In de latere jaren van zijn leven gaf Hanlo in prozastukjes voorzichtig uiting aan zijn pedofiele geaardheid. Hij bekende dat hij een minderjarige over de brost had geaaid en daarvoor zat hij een maand in het Haarlemse huis van bewaring wegens het over de borst aaien van een minderjarige. Een aantal jaren later kwam hij opnieuw in verleiding en kreeg een gebiedsverbod. In 1969 werd hij, tijdens een verblijf in Marokko verliefd op een 12 jarige jongen uit Marakech. Zes jaar later kreeg hij in verband met zijn contacten met jongetjes een gebiedsverbod voor enkele maanden.

In een postuum verslag dat uitkwam in 1971 wordt verteld dat hij in 1969 verliefd werd op de 12 jarige Mohamed tijdens zijn verblijf in Marakech. Hij kreeg toestemming de jongen mee te nemen naar Nederland voor een kort verblijf. Maar de vreemdelingenpolitie in Valkenburg zette de jongen op het vliegtuig, terug naar Marokko.

Twee weken later botste Jan Hanlo tijdens en stortbui met zijn motor op een tractor. Alhoewel hij niet zeer ernstig gewond was stierf hij twee dagen later in een Maastrichts ziekenhuis plotseling aan een embolie.

Een eenzaam mens overleed. Hij leefde in een tijd waarin er allerlei veranderingen gaande waren op het gebied van de dichtkunst, de avant-garde kunst van de jaren zestig, met de veranderingen in de seksuele moraal. Jan Hanlo was een man vol tegenstellingen het vinden van een balans in zijn leven bleek moeilijk. Kenners melden dat het hem heeft weerhouden om iets omvangrijk tot stand te brengen, maar leidde wel tot een unieke toon in een bijzondere verzameling poëzie en proza. .

Als voorbeeld van een van zijn fraaie gedichten geeft ik hier het gedicht “Waarover zal ik Zingen”:

Waarover zal ik zingen
over regenjassen over het lover van geboomte
of zal ik van de liefde zingen

Waarover zal ik zingen over vliegmachines
blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht
of zal ik zingen over de liefde

Over auto’s over steden en historie
of zal ik zingen over de liefde

Over vele vreemde dingen
over de gewone
of zal ik zingen over de liefde

Over bloemen over water
over mooie dingen of wat droevig is
of zal ik zingen over de liefde

Over tabak en vriendschap
over geur en wijn
over schepen zeilen meeuwen over ellende
over de ouderdom over de jeugd
of zal ik over de liefde zingen

————————–
uit: Gedichten (1974)

Zaterdag 20 mei 2017: Gerrit Achterberg werd geboren op zaterdag 20 mei 1905

Gerrit Achterberg werd in 1905 in Nederlangbroek geboren en overleed op 17 januari 1962 in Leusden. Er is bijna geen dichter waarvan zoveel studies zijn verschenen en dat komt niet alleen door het feit dat hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Achterberg was een groot dichter en ontving daarom officiele prijzen zoals de P.C. Hooft-prijs in 1949 als de Constantijn Huygens-prijs in 1959. Achterberg is belangrijk (geweest) voor veel jongere collega’s maar het was ook een mens waaraan veel discutabele kanten aan zaten. Hij stond jarenlang (tot 1955) ter beschikking van de regering (TBS) en verbleef gedurende zijn leven in veel psychiatrische inrichtingen vanwaar hij zeer actief verder werkte aan zijn poëzie en lustig correspondeerde met vrienden en uitgevers. Die bijna allemaal zijn werk karakteriseren met de woorden dood, liefde en mystiek. Hij behoort nog steeds tot de dichters die vandaag de dag nog veel wordt gelezen en er zijn een groot aantal gedichten die voor velen en bijzondere plaats in nemen. Komt dat door het autobiografische karakter van zijn poëzie of is het de heldere taal waarin hij zijn verzen opschreef?

OM aan te geven hoe belangrijk hij was en nog steeds is de uitgeverij Querido in 2003 de dertiende druk uit (de eerste druk verscheen in 1963) van de bundel ‘Verzamelde gedichten’ waarvan tienduizenden exemplaren werden verkocht.

Achterberg werd geboren in een calvinistisch gezin van acht kinderen waarvan hij de tweede zoon was. Zijn vader werkte als koetsier en later als boer en stamde in rechte lijn af van graaf Floris V en Jan Pieter Sweelinck. Zijn moeder was een onecht kind van een adellijk persoon die door Achterberg Baron van Beukelaar genoemd wordt.

Gerrit Achterberg was een uitstekende leerling en blonk uit op school. Dat bracht hem naar de kweekschool (pedagogische academie) in Utrecht (1920) en woonde toen bij familie op kamers. Zijn eerste aanstelling op als onderwijzer kreeg hij in 1924 in Opheusden en was toen 19 jaar. Hij werd door zijn omgeving gekarakteriseerd als een vreemde, in zichzelf gekeerde jongeman, die zich zeker niet paste in de gewoontes van het streng hervormde dorp. In die tijd raakte hij geod bevriend met Arie Jac. Dekker waarmee hij tot diep in de nacht poëzie las. Bijna alles werd gelezen van de toen nog vrijwel onbekende dichters als A. Roland Holst, M. Nijhoff, en J.C. Bloem. Ook begonnen ze zèlf te schrijven en gaven samen de bundel ‘De zangen van twee twintigers’ uit waarvan hij later de gedichten die daarin stonden (ongeveer 20 stuks) later als een jeugdzonde beschouwde.

Als persoon beschouwde men Achterberg steeds meer als een introverte zonderling. In die tijd dreigde hij, met een pistool in de hand, met zelfmoord.

In zijn eerste jaar als onderwijzer kwam ook een oproep voor de militaire dienst, maar die kon hij uitstellen omdat hij begonnen was met zijn studie voor de hoofdakte basis onderwijs. In januari 1927 moest hij alsnog in dienst en een maand later werd hij wegens ‘zielsziekte’ alweer ontslagen.

In het eerste jaar als onderwijzer leerde hij ook Cathrien van Baak kennen, met wie hij verkering kreeg. Na en aantal jaren (1927) ging de verkering uit. Achterberg had al eerder problemen met haar vader gehad, maar toen hij begon te dreigen met doodslag en zelfmoord, was het voor vader en dochter Van Baak genoeg. Achterberg werd steeds eenzamer, zijn obsessie voor het dichterschap groeide, en hij vertoonde soms driftig en verwilderd gedrag.

In de zomer van 1929 kreeg hij verkering met Bep van Zalingen en in augustus verloofde hij zich met haar. Het jaar daarop verhuisde hij naar Den Haag, waar hij weer aan het werk ging als onderwijzer. Hij mengde zich niet in het Haagse kunstenaarsleven. Hij kende niemand en was verlegen. Zijn eerste echte poëziebundel verscheen met de titel “Afvaart” in 1931. Zijn verloving met Bep van Zalingen eindigde in juli 1932.

Daarna ging het steeds  slechter met hem. In november kreeg hij verlof van zijn baan, en werd, op dringend advies van het schoolbestuur, opgenomen in een psychiatrisch-neurologische kliniek in Utrecht. Begin december werd hij ontslagen uit de kliniek met de diagnose psychopathie; hij had moeite zichzelf aan te passen en te reguleren. In het rapport van de dienstdoende psychiater, evenals in latere rapporten en medische dossiers , werd vermeld dat hij vijf als vijfjarig kind enkele dagen in coma had doorgebracht na een val van de trap. Ook was hij als op zijn zestiende van een hooiberg gevallen. Deze feiten werden later aangedragen dat dit wel eens te maken gehad kan hebben met zijn psychische problemen.

In 1934 verruilde hij zijn baan als onderwijzer voor een baan als landbouwcrisisambtenaar in Utrecht in de functie van ambtenaar derde klas. Hij woonde in die tijd op kamers bij zijn hospita Roel van Es (Roeltje van den Berg). Op 15 december 1937 schoot Achterberg de toen 40-jarige vrouw dood en verwondde hij haar 16-jarige dochter Bep in de commotie die was ontstaan nadat hij op zijn kamer getracht had Bep te overweldigen.

Hij meldde zich zelf bij de politie en werd veroordeeld met tbs. Tot augustus 1943 verbleef hij in diverse (forensisch-) psychiatrische inrichtingen. Daarna volgde een periode van resocialisatie die in 1955 definitief werd opgeheven.

Hij produceerde tussen 1939 en 1953 zeker 22 bundels met gedichten. Waarvan hij voor ‘En Jezus schreef in ’t zand’ (1947)’ de P.C. Hooftprijs toegekend kreeg en tien jaar later ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor de bundel “Ballade van de gasfitter “(1953) en zijn hele oeuvre.

In 1946, Achterberg was toen al over de veertig, trouwde hij met zijn jeugdvriendin. En woonde toen in Hoonte een buurtschap valk bij het Gelderse Neede.

De laatste jaren voor zijn dood woonde ze in Leusden waar hij in 1962 aan een hartaanval overleed. Men kan wel stellen dat het leven van Achterberg niet probleemloos is verlopen. Bovendien, blijkt uit recente publicaties, dat hij ook een drankprobleem had en dat werd door zijn bewonderaars en vrienden altijd verzwegen.

Zijn gedrag met vrouwen en de driftbuien en dan het dreigen met de dood en tenslotte de moord zijn allen terug te voeren tot de diagnose psychopathie. Achterberg gedroeg zich netjes, was wat depressief, maar kon zijn eigen situatie niet echt doorgronden. Hij herkende geen persoonlijke schuld maar toonde wel spijt. Dit paste bij zijn toestand. Zo ook schrijft Wim Hazeu in zijn biografie over Achterberg en stelt dat het de ‘andere persoon in Achterberg’ was die door hem handelde. Achterberg zèlf gaf de schuld aan ‘de oude mens’ of ‘een zwarte geest’. Iets waar ik geen verklaring voor heb kunnen vinden.

Hij is zich altijd een slachtoffer van de omstandigheden blijven voelen. En zijn dichterschap bleef voor hem steeds het belangrijkste in zijn leven.

Eerst in de gevangenis en later in de vele verschillende psychische inrichtingen was hij verlost van alle maatschappelijke druk en moeizame relaties met de vrouwen in zijn leven. In dit isolement kon hij het doel van zijn leven, namelijk dichten, beter dan ooit nastreven. Hij zat een half jaar in voorarrest, in die periode las hij veel, op religieuze (de Bijbel en  filosofische (Kierkegaard) literatuur. Behalve zijn familie waren er nog drie mensen die hem veel steun gaven, namelijk Roel Houwink (schrijver en dichter 17 januari – 3 juni) Annie Kuiper (psychiatrisch verpleegkundige) en wijkdominee Gerrit Wijnand Oberman (1889-1967). De laatste was een veelzijdig predikant die ook regelmatig mensen bezocht in gevangenissen. Zo ook leerde hij Gerrit Achterberg kennen. Achterberg was dankbaar voor de bezoeken. Later droeg hij de bundel En Jezus schreef in het zand aan hem op.

In augustus 1943 kwam Achterberg in gezinsverpleging in Eibergen en zag Cathrien van Baak weer regelmatig. Maar verder raakte hij, mede door de oorlog, in een isolement. In 1945 gingen hij met Cathrien van Baak samen bij het gezin Wagenvoorde in Neede wonen. In 1946 vond hij werk als verzamelaar van informatie over dialecten en folklore in de provincie Gelderland voor het bureau van de Dialecten-commissie der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Hij kon dit werk thuis doen. In juni 1946 trouwden Achterberg en Van Baak in alle stilte, en betrokken zij de tweede etage van de (heren) boerderij Mariahoeve in Hoonte.

Uiteindelijk voelde Achterberg zich in Hoonte (Neede) geïsoleerd en het ging minder goed met hem.Toch schreef hij ook daar prachtige verzen zoals:

 

Hoonte

 Vlak voor de ramen staat het boomtheater.

Insecten trekken strepen langs de ruit

en vlinders buit’len om elkanders buit.

Een dikke duif vliegt in de groene krater

 

van bladeren, een duiker onder water,

en komt er aan de andre kant weer uit.

Het leven, tegen dit decor gestuit,

wordt speeltoneel terwijl ik kijk en staat er.

 

Ik heb van de natuur nog nooit genoten

als hier op Hoonte in de Achterhoek.

Mariahoeve heet het hooge huis.

 

Hier krijgt het oogenblik voldoende grootte

en achtergrond, een eeuwig open doek

voor de verbeelding van het paradijs.

 In 1953 verbleef hij weer korte tijd in een psychiatrische inrichting, in Loosduinen. In mei van dat jaar verhuisde hij met Cathrien naar Leusden. Tegen die tijd had hij al meer dan negentig procent van zijn werk geschreven. Er kwamen nog wel bundels uit, maar dan vooral van eerder werk.

In de laatste vijf jaar van zijn leven heeft hij nog maar een paar gedichten geschreven. Hij was waarschijnlijk tot rust gekomen, was in 1955 ook eindelijk van zijn tbs verlost. Misschien beschouwde hij zijn werk als voltooid. Hij kreeg literaire erkenning en had zijn plaats in de Nederlandse poëzie veroverd. ‘Vertalers van naam beproefden hun talent op Achterbergs poëzie’ en ‘componisten als Peter Schat lieten zich door zijn gedichten inspireren; neerlandici als Rein Meijer promoveerden op zijn poëzie; bloemlezingen zonder zijn gedichten werden uitzonderingen’ In 1959 werd zijn gehele oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs. Volgens de psychiaters was zijn driftleven tot rust gekomen en hield de afname van zijn dichterlijke creativiteit daar verband mee.

Hij hield zich tot het laatst van zijn leven bezig met het redigeren van de uitgave van zijn van zijn Verzamelde gedichten, die uiteindelijk postuum verscheen in 1963 Ik wil graag nog twee voorbeelden geven van gedichten die Achterberg schreef en die ook voorkomen uit het werk die met name genoemd worden bij de erkenning van de literaire prijzen.

Als eerste een gedicht uit de sonetten-cyclus Ballade van de gasfitter (1953):

In het eerste couplet uit vers XIV lezen we:

Eindelijk is het kleine lek gedicht.
Ik zoek de spullen langzaam bij elkaar.
Mijn benen zijn als buizen lood zo zwaar.
Zweetdruppels lopen over mijn gezicht.
 

De cycles sluit af met de begrafenis van de gasfitter en lezen dan in het laatste couplet van vers XIV:

Aan ’t graf hield verder iedereen zijn mond.

Men trad vooruit en schouwde critisch hoe

de fitter langzaam wegzonk in de grond,

als om hem nog op fouten te betrappen,

nu hij zijn laatste gat had op te knappen.

Hij rust in God. De aarde dekt hem toe.

 

 Deze bundel is veelvuldig geanalyseerd. Steeds kwam men tot de conclusie dat de het een dichterlijk verslag van Achterbergs weg door de psychiatrie was.

Een tweede voorbeeld haal ik uit zijn bundel En Jezus schreef in ’t zand (1947). Dat is eigenlijk een verzameling gedichten met religieuze onderwerpen. Lees maar:

Triniteit

God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en droogt de tranen van geween.

 Heeft een van beide zich vergist?
Wij zijn een duister phenomeen
zoolang niet in ons leven rijst
het licht van den heiligen geest.

God scherpt zijn wet op deze steen,
die mijn bestaan geworden is.
Maar Jezus Christus geeft ons vis
en droogt de tranen van geween.

 Heeft een van beide zich vergist?
Wij zijn een duister phenomeen
zoolang niet in ons leven rijst
het licht van den heiligen geest.

Gerrit Achterberg overleed op 17 januari 1962 aan een hartaanval in de auto voor zijn huis in Leusden, nadat hij met Cathrien naar Amsterdam was geweest. Hij wist als geen ander dat de dood het einde is van alles, het brengt een definitieve scheiding aan, die nooit meer ongedaan gemaakt kan worden zoals hij ooit geschreven had:

Alles wordt enkeling. Een eigen graf; wacht op het kerkhof zijn bewoner af

Woensdag 10 mei 2017: De dichter Lucebert overleed op dinsdag 10 mei 1994.

Op 10 mei 1994 overleed dichter/schilder Lucebert op 69-jarige leeftijd in Alkmaar. Hij werd geboren op 15 september 1924 in Amsterdam met zijn echte naam: Lubertus Jacobus Swaanswijk. Zijn artieste naam is ontstaan van het Italiaanse luce, licht en het Germaanse bert, glanzend/licht, dus dubbellicht.

De dichter en schilder Lucebert is één van de grootste en meest bepalende kunstenaars van na de Tweede Wereldoorlog. Als ‘keizer’ van de Vijftigers bouwt hij alras een enorme faam op. Zijn gedichten breken met elke poëtische traditie. Hij beschrijft geen gevoelens, maar laat woorden associëren of botsen, hanteert een overrompelende beeldspraak en een krachtig ritme. De grote (morele) levensvragen die hij vaak in de vorm van tegenstellingen oproept, gaat hij van meet af aan (politionele acties Indië) tot aan zijn laatste werk (de negatieve kanten van de hightech maatschappij) niet uit de weg. Lucebert wisselt periodes waarin hij dicht of schildert af. In de jaren zestig en zeventig ligt het accent op het beeldend werk. In het laatste decennium van zijn leven verschijnen nog een aantal sterke, verrassende bundels met gedichten.

Lubertus Jacobus Swaanswijk wordt in Amsterdam geboren. Zijn vader is huis- en decoratieschilder, zijn moeder verlaat het gezin als hij twee jaar is. Zijn vader zal later hertrouwen. Lucebert gaat na de ULO bij zijn vader werken. Zijn talent wordt ontdekt, in 1938 en ’39 bezoekt hij het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam. Daarna heeft hij een aantal baantjes, hij is onder meer retoucheur bij een fotograaf. Tijdens de oorlog wordt hij gedwongen tewerkgesteld in Duitsland, in 1944 keert hij terug, hij krijgt dan regelmatig opdrachten voor wandschilderingen, zoals voor het Franciscanessenklooster in Heemskerk. Bij de kloosterzusters valt zijn werk niet in de smaak, ze laten de muur wit verven, in 1989 is het ontwerp van Lucebert deels hersteld. Inmiddels heeft hij contact met dichters als Andreus en Kouwenaar en schilders als Karel Appel. Zijn eerste dichtbundel verschijnt in 1951: Triangel in de jungle gevolgd door de dieren der democratie. Als in 1953 Van de afgrond en de luchtmens verschijnt is zijn reputatie als vernieuwend en niets of niemand ontziend dichter definitief gevestigd.

Lucebert wordt de letterlijk gekroonde keizer van de Vijftigers, een groep experimentele dichters waartoe onder anderen ook Campert, Kouwenaar en Elburg behoren. Evenals de Cobragroep willen de dichters alles achter zich laten, opnieuw beginnen. Het verstikkende klimaat van de naoorlogse jaren wil men doorbreken. Men heeft een grote voorkeur voor spontane kunstuitingen, voor kindertekeningen, voor kunst van primitieve volkeren. Poëzie moest in het centrum van de werkelijkheid en het leven staan. Poëzie wil een manifestatie van het leven, ‘mooi en lelijk, vrolijk en droevig, precies zo irrationeel en absurd als het leven zelf.’ Lucebert verlaat na een conflict met Constant de Cobragroep. In 1952 leert Lucebert Tony Koek kennen met wie hij vijf kinderen krijgt. Het echtpaar vestigt zich in Bergen.

Hij ontvangt drie keer de poëzieprijs van de gemeente Amsterdam (1953, 1956, 1962). Hij krijgt in 1967 de P.C. Hooftprijs en wordt in 1983 onderscheiden met de Prijs der Nederlandse letteren, hem uitgereikt door de Belgische koning Boudewijn.. Dat Lucebert poëzie ook dichters van jongere generaties aanspreekt, blijkt wel uit het werk van Leonard Ilja Pfeijffer, die ook regelmatig zijn schatplichtigheid aan en bewondering voor het werk van Lucebert heeft geuit.

Luceberts gedichten zijn lastig te interpreteren. Ook critici hebben het moeilijk met zijn uitwaaierende verzen, zijn beeldopeenstapelingen, zijn onverwachte woordgebruik. Woorden worden door hem vaak op een schijnbaar weinig logische manier naast elkaar geplaatst, de samenhang tussen die woorden is sterk associatief. De dichter is geen ‘ik’ meer die een visie uitdraagt, het is de aardse, concrete taal zelf die een antwoord geeft op de meest primaire vragen zoals: wat of wie is de mens, waar komt hij vandaan, waar gaat hij heen. Lucebert blijft vanaf de late jaren veertig tot aan zijn dood actueel-politieke kwesties in zijn werk aansnijden.

In veel van zijn verzen is woede ook duidelijk de motor van zijn poëzie. Een woede tegen religie, met name het katholicisme maar ook tegen het militarisme. Zijn laatste bundel Van de maltentige losbol verschijnt nadat hij op 10 mei 1994 aan de gevolgen van kanker in Alkmaar is overladen.

Het dubbeltalenet Lucebert was in de jaren zestig en zeventig vooral beeldend actief. In 1965, het jaar waarin hij de Constantijn Huygensprijs krijgt, koopt hij een tweede huis in Javea, Spanje, waar hij dan veel tijd doorbrengt. Het onderwerp van de meeste tekeningen en schilderijen van Lucebert is de menselijke of dierlijke figuur vaak in fantastische vervormingen. Hij bekijkt de mens op een groteske, satirische, pessimistische manier. Zijn figuren en gestalten zijn ook de uitdrukking van twee van Luceberts beroemdste dichtregels ‘dat schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft en: ‘alles van waarde is weerloos’. 

De laatst geciteerde regel komt uit 1974. Je komt het nog al eens tegen in geschriften over de waarde van kunst en cultuur of zomaar op een publiek gevel. Maar ook al is het zeer bekend ik kies toch voor dit gedicht. Het is o, zo waardevol:

de zeer oude zingt

er is niet meer bij weinig.
noch is er minder.
nog is onzeker wat er was.
wat wordt wordt willoos.
eerst als het is is het ernst.
het herinnert zich heilloos.
en blijft ijlings.

alles van waarde is weerloos.
wordt van aanraakbaarheid.
rijk.
en aan alles gelijk.

als het hart van de tijd.
als het hart van de tijd

 

 

Zaterdag 6 mei 2017: Willem Kloos is geboren op vrijdag 6 mei 1859.

De dichter Willem (Johannes Theodorus) Kloos is op 6 mei 1859 in Amsterdam geboren en overleed 31 maart 1938 op 78-jarige leeftijd in Den Haag. Hij was een belangrijk dichter en de voorman van de Tachtigers. Dat was een jonge groep schrijvers die vonden dat ze het anders moesten doen dan hun voorgangers. Literatuur moet niet moralistisch zijn, ze is een individuele uiting van een kunstenaar die daarmee andere individuen wil aanspreken.

Dat leverde geen eenvoudige toegang tot de bekende tijdschriften. Vandaar werd er een nieuw tijdschrift opgericht De Nieuwe Gids. Het tijdschrift stond erg in de belangstelling omdat men een nieuw soort taalgebruik introduceerden, de zogenaamde `woordkunst’.

De Tachtigers vonden zich ook erg verbonden met het impressionisme in de schilderkunst. Bekende leden waren o.a.:  Hélène Swarth, Albert Verwey, de componist Alphons Diepenbrock, Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, Frans Erens en Herman Gorter en de veel te jong overleden Jacques Perk die slechts 22 jaar werd. De groep `De Tachtigers’ is een synoniem geworden voor De Grote Vernieuwers (van de Nederlandse literatuur).

Kloos werd geboren als zoon van de kleermaker Johannes Kloos en diens vrouw Anna Cornelia Amelse. Vanaf 1879 studeerde Willem Kloos klassieke letteren aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam en behaalde zijn kandidaatstitel in 1884. Tijdens zijn studententijd leerde hij Jacques Perk kennen, wiens gedichten hij na Perks dood aanpaste en uitgaf. De inleiding die Kloos schreef bij deze uitgave (1882) is later gaan gelden als manifest van de Beweging van Tachtig. In 1880 debuteerde hij in het tijdschrift Nederland.

Nadat Kloos en zijn vrienden het tijdschrift De Nieuwe Gids had opgericht publiceerde hij een serie literaire kronieken, die samen een beeld geven van zijn gedichten. Daarin legt hij de nadruk op het persoonlijk weergeven van emoties. De dichter gebruikt hierbij de klankexpressie en de beeldspraak. Kloos vond dat elk uniek gevoel een eigen beeldspraak meebracht. Met zijn visie zette hij zich af tegen de generatie van ‘beroemde’ dominee-dichters zoals Bernard ter Haar (1806-1880), Nicolaas Beets (1814-1903) en J.J.L. ten Kate (1819-1889).

Volgens Kloos schreven zij vooral huiselijke poëzie, vol clichés en met een benepen moraal. Men wilde de gevoelens van de lezer onderstrepen. Bij Kloos en de tachtigers zijn vorm en inhoud onscheidbaar; het gaat om l’art pour l’art (kunst om de kunst). Zoals gezegd publiceerde Kloos veel van zijn sonnetten in De Nieuwe Gids. Deze sonnetten worden algemeen beschouwd als Kloos’ beste literaire werk en als karakteristiek voor de opvattingen van Tachtigers. De meest geciteerde dichtregel van Kloos is waarschijnlijk “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”.

Sonnet (1894)

Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten,
En zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en ’t al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor ’t heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten.

En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb’re leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar ‘k niet langer woorden vond.

Dit sonnet werd bij de eerste publicatie in 1894 door sommigen godslasterlijk bevonden, al had Kloos er een heel andere bedoeling mee. Met “Ik ben een God…” wilde hij alleen maar zeggen dat de dichter de autonome schepper is van zijn eigen verzen en almachtig troont in zijn dichtkunst. Persoonlijk vind ik dit geen goed gedicht. Het is misschien alleen de eerste regel die blijf hangen maar de rest vergeet je heel snel. Bovendien is het een gedicht dat in de 21ste eeuw onvertaalbaar is naar de huidige tijd.

In de jaren 90 van de 19e eeuw begonnen verschillende dichters zich te verzetten tegen het individualisme en het “kunst om de kunst”-principe van Kloos en wilden een meer op de maatschappijgerichte, sociale dichtkunst. Ook binnen de oorspronkelijke beweging van Tachtig kwam het tot conflicten. Van Eeden en Van der Goes dachten dat het socialisme verbetering kon brengen, terwijl Kloos en Van Deyssel dachten dat het socialisme zou leiden tot nivellering van de kunst. Kloos hield vast aan zijn oorspronkelijke idealen en trok zich terug om poëzie te schrijven. In zijn persoonlijk leven ging het nu ook slechter; hij begon te drinken, kreeg last van psychoses en schreef scheldsonnetten.

In 1900 trouwde hij met Jeanne Reyneke van Stuwe, een productief schrijfster van societyromans. Kloos’ invloed was toen al veel minder geworden, maar hij bleef gedichten publiceren in De Nieuwe Gids en zou tot zijn dood lid van de redactie van dat blad blijven.

Hij kreeg ook aan dacht van de meer officiele kant van het toenmalige Nederland want op 14 juni 1919, enkele weken na zijn zestigste verjaardag, werd Kloos op paleis Huis ten Bosch ontvangen door koningin Wilhelmina. Heel belangrijk was dat hij samen met Lodewijk van Deyssel, een eredoctoraat aan de Universiteit van Amsterdam ontving op 3 maart 1935.

In 1938 stierf, misschien wel de belangrijkste Tachtiger, op 78 jarige leeftijd.